(In den Hemel. De Heer, omgeven van glorie, zit op zijn troon. Schaar van geknielde engelen. De vier aartsengelen staan t naast aan den troon. Groote helderheid.)
KOOR DER ENGELEN
Looft, looft den Schepper op zijn glorietroon!
Laat aard en heemlen van zijn lof weerklinken,
Die met éen woord t heelal in t aanzijn riep,
En met éen woord in t niet kam doen verzinken.
Hij is de kracht, het weten en t gevoel,
Een schaduw van zijn glans zijn onze stralen,
Laat ons hem danken, dat hij van zijn licht,
In gunst, een deel op ons deed nederdalen.
Belichaamd zien wij t eeuwig wereldplan,
t Straalt uit der schepping groote daad ons tegen;
Van ons, die t leven hem verschuldigd zijn,
Wacht hij nu dank en prijs voor zooveel zegen.
DE HEER
Ja, t groote werk der schepping is gedaan,
De Heer kan van zijn arbeid rusten gaan.
In gang is t alles, t groote raderwerk
Zal om zijn as, den tand des tijds te sterk,
Millioenen jaren nog zich voortbewegen,
Eer t om een nieuwe spil xou zijn verlegen.
Op! goede geesten, die k in t leven riep
Tot steun der nieuwe werelden die k schiep,
Begint uw baan, die eindloos voort zal duren.
Uw aanblik moog nog éens mij vreugd verwekken,
Terwijl k u onder mij voorbij zie trekken.
(De beschermgeniussen der sterren trekken, hemelbollen, kometen en nevelsterren van verschillende grootte en kleur voortrollend, aan den troon des Heeren voorbij. Een zachte muziek der sferen wordt gehoord.)
KOOR DER ENGELEN
Hoe trots komt daar een vuurge bal
En dunkt zich middelpunt van t al.
Toch dient, hem onbewust, zijn schijn
Tot licht voor sterren, zwak en klein.
Mat blinkt daar ginds die bleeke sterre,
Een lampje slechts schijnt zij van verre,
En toch, millioenen wezens wonen
In haar onmetelijke zonen.
Twee kogels strijden op hun baan,
Nu stoot die af, dan trekt deze aan;
De groote leiband is die strijd,
Waaraan t geheel wordt voortgeleid.
Ginds rolt de donder; schrikkend zien onze oogen
De donkre verte, waar, den blik onttogen,
De vrede en t heil van millioenen slapen. -
En, onbewust hoe schoon ze werd geschapen,
Bescheiden stralend, staat, nog ongenoemd,
Wat eens als ster der liefde wordt geroemd,
Zij, die der min beschermend tegenlacht,
En troostend toeblinkt t menschelijk geslacht. -
Hier worden werelden uit niets geboren,
Daar weer gaan werelden in t niet verloren;
Een les voor wie het hart te hoog mocht dragen,
Een troost voor hem, die angstig mocht versagen. -
Een rustverstoorder staat gereed,
Schrikwekkend beeld is t, een komeet!
Maar zie, de stem des Heeren spreekt haar aan,
En orde wordt nu haar gerekte baan. -
Gij komt, geliefde jonge geest, getogen;
Het wisslend aardrijk brengt gij ons voor oogen,
Wij zien u t rouw-, maar ook het feestkleed dragend,
U nu in blad, in sneeuwdos dan behagend.
Des hemels zeegning, zij verlate u niet!
Ga voorwaarts onversaagd; uw klein gebied
Ziet vele groote ideeën dra in strijd;
En schoon dat wat bedroeft en wat verblijdt,
Glimlach en traan, als schoone lentedagen
En winterkou, elkaar op u verjagen,
Dat, als uw licht en als uw schaduw beide,
Des Heeren liefde en toorn uw baan geleide!
(De beschermgeesten der sterren verdwijnen).
DE AARTSENGEL GABRIËL
Die gij het onbegrensde hebt gemeten,
Die ge de ruimte en de materie schiept,
Die ge en de grootte èn ook de breedte
Met een het worde i in t leven riept.
Hosanna u, gedachte! (Hij knielt neer).
DE AARTSENGEL MICHAËL
Die gij èn de eeuwge wisseling der dingen,
Èn ook de nimmer wisslende eenheid zijt,
Aan wien èn tijd èn eeuwigheid ontspringen,
Die volken en geslachten scheidt:
Hosanna u, o sterkte! (Hij knielt neer).
DE AARTSENGEL RAFAËL
Die gij een stroom van rijke zegeningen
Rondom u uitgiet met een milde hand,
Die gij een ziele hebt den menschenleden,
Een deel uws wetens ingeplant,
Hosanna u, o goedheid! (Hij knielt neer).
(Pauze)
DE HEER
En gij zwijgt, Lucifer? koud staat gij daar,
Uw zelfvoldaanheid vindt voor mij geen lof;
Is wat ik schiep u soms niet welgevallig?
LUCIFER
En waarom zou t mij welgevallig wezen?
Acht gij t zoo heerlijk dan, dat eenge stof
Met deze gaven is bekleed of gene,
Die, eer zij zich u openbaarden, ook
Door u niet vermoed, vermoed zijn? of zoo
Dan niet door u veranderd konden worden
Dat deze reeks atomen, tot éen bal
Te zaam gekneed, weer andre trekt of volgt
Of afstoot, en dat al deze eigenschappen
In een paar wurmen tot bewustzijn kwamen,
Om daarin voort te leven, totdat alles
Vervuld zal wezen, alles afgekoeld is,
En nog slechts de uitgebrande slakken blijven? -
Heeft eens de mensch dit afgekeken, maakt hij t
Ook in zijn werkplaats met wat moeite na!
Uw mensch hebt gij in deez uw groote keuken
Geplaatst, en hem vergund er in te knoeien,
Te brouwen, en zich t beeld van God te dunken.
Maar zoo hij t kooksel spoedig gaat bederven,
T poespas verkwisten, zal te late toorn
Uw ziel ontbranden; en toch, kunt gij anders
Verwachten van den kunstnaar-dilettant? -
Welk doel heeft toch ten slotte heel die schepping?
Gij schreeft u zelf ter eere een lofgedicht,
Maar hebt in slechten vorm uw lof gegoten,
En nu, nu mag t u nimmermeer vervelen,
Dat steeds de melodie dezelfde blijft.
Is wel dit spel, dat slechts het kinderhart
Ontvlammen kan, de ziel des grij saards waardig?
Dit spel der kleine, uit slijk geknede vonken,
Die u, den Heer, naäpen, maar alleen
Uw spotbeeld kunnen worden, niet uw beeld.
Noodlot en vrijheid strijden met elkaar, -
Waar is de samenklank, de harmonie?
DE HEER
U passen hulde en eerbied, geen critiek.
LUCIFER
Ik kan alleen maar geven wat mijn aard is.
(Naar de Engelen wijzend)
U prijst genoegzaam deze armzaalge schaar;
En billijk is het ook, dat zij u prijzen,
Gij schiept hen, zooals t licht de schaduw schept.
Ik ben van eeuwigheid tot eeuwigheid.
DE HEER
Ha, onbeschaamde, baarde u niet de stof?
Waar was te voren dan uw plaats, uw kracht?
LUCIFER
Kan ik dat eveneens van u niet vragen?
DE HEER
Sinds eeuwigheden reeds ontwierp ik t plan,
En leefde reeds in mij wat thans tot stand kwam.
LUCIFER
En hebt gij dan de leegte niet gevoeld,
Die altijd tusschen uw gedachten gaapte,
Die alle kalme wording in den weg stond?
Lucifer was de naam van dit beletsel;
Hij was t, die u gedwongen heeft tot scheppen,
Hij de eeuwge geest der loochning en ontkenning.
Gij hebt verwonnen; immers t is mijn noodlot,
Bestendig in mijn strijd te moeten vallen,
Maar steeds met nieuwe kracht sta k weder op.
Gij schiept de stof, en ik heb nu ruim baan,
Want naast het leven is daar ook de dood,
Bij kort geluk de lange ontgoocheling,
Bij t licht de schaduw, en bij hoop de twijfel.
k Sta overal, gij ziet het, waar gij zelf zijt.
Zou die u zoo kent u nog hulde bieden?
DE HEER
Ha, gij oproerge geest, weg van mij, weg!
Ik kon in t eindloos niet u doen verzinken,
Maar neen, ik wil dat niet. Gehaat en eenzaam,
Uit iedre geestelijke verbintenis
Verbannen, moogt gij worstlen tusschen t slijk.
U kwelle in t smartelijk drukkende gevoel
Van uw verlatenheid ook nog het denkbeeld,
Dat ge aan uw ketenen van stof voorniet
Steeds rukt en scheurt, dat ijdel al uw strijd is.
Gij worstelt tevergeefs met de almacht Gods.
LUCIFER
Niet dus; zóo maklijk stoot ge mij niet van u,
Niet als een nietig, overbodig werktuig.
Te zamen schiepen wij; welnu, ik vraag
Mijn deel.
DE HEER
U moge zijn zooals gij wenscht.
Ziet neer op de aard. Die beide slanke boomen,
Die juist in t midden staan van Edens hof,
Vervloek ik; deze mogen dus van u zijn.
LUCIFER
Schriel meet gij, maar ge zijt ook een groot heer,
En mij is reeds een voetbreed aard genoeg.
Waar eens de stap des twijfels is gezet,
Daar stort uw nieuw geschapen aarde ineen.
(Af )
KOOR DER ENGELEN
Vervloekte, wijk van Godes aangezicht.
Prijs zij den Heer, die wet en orde sticht!