TIENDE TOONEEL

(Het geheel verandert weer plotseling, zooals het mas in het achtste tooneel. Adam, weer als Kepler, zit met gebogen hoofd aan zijn schriftafel; Lucifer, als Famulus, staat naast hem, ert klopt hem op den schouder. De morgen daalt.)

LUCIFER
Het hoofdafhakken bleef nog achterwege.

ADAM (verward oprijzend)
Waar ben ik, ha, en waar, waar zijn mijn droomen?

LUCIFER
Die zijn verdwenen, meester, met uw roes.

ADAM
In deez armzaalgen tijd schept dus nog slechts
De roes iets groots in de afgeleefde borst.
Wat trotsch gezicht ging voor mijn oogen op!
Blind waar’, die niet de vonk der godlijkheid,
Of ’t ook met bloed en slijk bevlekt was, speurde.
Hoe was en zonde en deugd daar reuzengroot,
Hoe ongemeen was alles in die beide,
Wijl er de kracht haar stempel op gedrukt had. -
Waarom ontwaakte ik, dat, rondom mij heenziend,
Ik heel dat dwergenras van dezen tijd
Nog beter kennen zou, met zijn geheim,
In zachten glimlach zich verschuilend onrecht,
En zijn conventioneele, onware deugd.

LUCIFER
Ik ken die stemming van neerslachtigheid,
Die bij den ochtend na een roes behoort.
(Eva en de hoveling treden uit het prieel).

EVA
Weg van mij, weg? Mijn argwaan loog dus niet,
Gij waagt het, my van moord te spreken, moord!
En welk een moord! mijn gade zou ik dooden!
In staat tot zulk een snoodheid acht ge mij,
Die gij in logentaal uw ideaal noemt.

HOVELING
Bij alle Goden, liefje, wees toch kalm;
Zoo men ons opmerkt, geeft het nog schandaal.

ADAM (peinzend voortgaande)
En waren die twee vrouwen ook een droombeeld?
Maar neen, wat praat ik? Er is éene vrouw,
In twee gedaanten, wisslend met mijn lot,
Gelijk de golf nu schittrend, dan weer donker.

EVA
Ja zoo, ’t schandaal, dat is uw groote zorg!
Wat schaadt de zonde, zoo ze maar geheim blijft,
En gij van geen verwijt te lijden hebt?
O wee u mannen, juist zoolang bespot gij
De vrouw, tot zij haar oudst en heiligst erfdeel,
Haar kuische deugd, als een vooroordeel wegwerpt,
En dan ziet met een grimlach der verachting
Ge in haar het lage werktuig uwer zonde.
Weg van mij, weg! Nooit wil ’k u voortaan weerzien.

HOVELING
Dit is weer overdrijving. Vatten wij
Een alledaagsche zaak zoo tragisch op,
Men zal ons slechts bespotten. - Zien we elkaar
Weer in ’t vervolg, dan lachen wij en schertsen,
En van ’t gebeurde reppen wij geen woord meer.
Ik wensch u goeden morgen!
(Hij gaat).

EVA
O onzaalge,
Hier sta ik nu, in wroeging en in tranen!
(af).

ADAM
Dus alles was slechts droom, en is ten einde.
Maar neen, niet alles. Immers ’t denken is
Toch sterker dan de lage stof. ’t Geweld
Kan die te niet doen, ’t denken leeft voor eeuwig.
En ’k zie mijn heilige idealen zich
Ontwiklen, zie hen, steeds zich louterend,
Steeds waardiger, schoon langzaam, de aard vervullen.

LUCIFER
De dag schiet op, kom meester, ’t Ieeruur naakt,
De jeugd verzamelt zich reeds ongeduldig,
Een woordje van uw wijsheid op te snappen.
(Hij luidt het op den sterrentoren aangebrachte klokje).

ADAM
O, spot niet met mij, spot niet met de kennis;
’k Moet blozen daar waar men mijn weten prijst.

LUCIFER
Toch onderricht gij heel wat knappe jongens.

ADAM
Ik onderricht hen niet, ’k dresseer hen slechts
Met woorden, die zij niet begrijpen kunnen,
En die ook geen begrip zijn, enkel klank.
De dwaas bewondert ze, en hij twijfelt niet
Of al die fraaie taal bezweert den geest,
Schoon toch ’t geheel niets dan een kunstgreep is,
Om daar mijn goocheltoeren mee te dekken.
(Een scholier komt met haastige schreden op het terras geloopen).

SCHOLIER
Gij hadt de goedheid, meester, mij te roepen,
Belovende, mijn kennisdorst te lesschen,
En dieper me in uw studie in te wijden,
Dan gij ’t geraden voor al de andren acht.

ADAM
Zeer waar, uw vlijt, mijn zoon, is zoo bijzonder,
Dat gij wel aanspraak op dit voorrecht hebt.

SCHOLIER
Hier ben ik, heel mijn ziel beeft van verlangen,
Om in de groote werkplaats der natuur
Een blik te slaan, om in der dingen wezen
Meer door te dringen, met de kracht des meesters
De wereld der materie en des geestes
Naar onzen wil, naar ons genot, beheerschend.

ADAM
Gij wenscht wel veel. Niet meer dan éen atoom
In deze wereld, hoe zoudt gij ’t geheel
Ooit kunnen overzien? Macht vraagt gij, kennis
En ook genot nog. Als niet onder ’t wicht
Van zooveel schats uw borst werd saamgeperst,
En gij dit al bereiktet, zoudt ge een God zijn.
Verlang naar minder, dat bereikt gij mooglijk.

SCHOLIER
Ontcijfer, groote man, dan maar éen raadsel
Van ’t weten mij, ik kan er slechts door winnen,
Want ach, ik voel, dat ik nog niets begrijp.

ADAM
’t Is wel, ik achtte u altoos mijner waardig
En ’k voer ’t geheimste heiligdom u binnen;
Zie dan de waarheid, zooals ik haar zie.
Maar laat geen ongewijden hoorder loeren,
Want doodend waar’ deez waarheid, mocht ze zich
Verbreiden onder ’t hedendaagsch geslacht.
Dra komt de tijd, o waar’ hij reeds gekomen,
Waarin men daarvan op de straat zal praten,
Maar dan is ook het volk niet meer onmondig.
Geef mij de hand daarop, verraad het nooit,
Wat u thans klaar zal worden. Zoo, nu luister!

SCHOLIER
Ik sidder van verlangen en van vrees…

ADAM
Mijn zoon, wat hebt gij ook daar straks gezegd?

SCHOLIER
Dat ik der dingen wezen niet begreep.

ADAM (veelbeteekenend)
Welnu, ook ik niet - en, geloof mij, niemand.
De wijsbegeerte, ze is slechts poëzie
Der dingen, die wij niet begrijpen kunnen.
En deze leer is nog het vroomst van alle,
Wijl zij alleen zich, zonder kwaad te doen,
In haar met schoone, bonte hersenschimmen
Versierde wereld, kalm en stil vermaakt.
Maar talloos zijn die andre kameraden,
Die met gewichtig uitgestreken tronies
Te teeknen staan in ’t zand, die lijnen daar
Als „afgrond”, die als „heiligdom” betitlend,
Zoodat ge al om de grap lacht, tot ge ziet
Wat schriklijk ernstig kluchtspel toch ’t geheel is.
Want, schoon de meesten met beklemd gemoed
En bangen zin de teekening vermijden,
Dreigt hier en daar een valstrik, die den waaghals,
Wiens voet er in dorst treden, bloedig vastgrijpt.
Ook ons staat zulk en valstrik in den weg,
De als heiligheid vertroetelde beschermer
Van de eens bevestigde en erkende macht.

SCHOLIER
’k Begrijp, ’k begrijp, maar zal ’t zoo eeuwig wezen?

ADAM
Eens zal men spottend lachen om ’t geheel.
Den staatsman, wiens verdiensten wij nu prijzen,
Den godsdienstijveraar, dien wij vereeren,
Beschouwt het nageslacht als komedianten,
Zoodra maar de echte grootheid tot haar recht komt,
Zij, die eenvoudig is en steeds natuurlijk,
Die enkel springt daar waar ze een klove ziet,
Slechts daar een weg maakt waar die ruimte heeft.
En de eigen leer, die thans tot waanzin leidt
Met al haar ingewikkelde begrippen,
Zal in die dagen allen helder wezen,
Door geen geleerd, door iedereen begrepen.

SCHOLIER
Dit is de taal dus, de verstaanbre taal,
Die eens de Apostels spraken van den Heer.
Maar laat al ’t andere ook u ballast schijnen,
Ontroof mij toch ’t geloof niet aan de kunst;
En zijn niet regels voor haar studie noodig?

ADAM
De kunst bereikt haar hoogste schoonheid daar,
Waar zich de regel ongezien verbergt.

SCHOLIER
Rest mij dan slechts de koude werkelijkheid?
Bezielt niet enkel ’t ideaal ons werk?

ADAM
Zeer waar, het giet den geest er in, de kunst
Treedt der natuur op zij, deelt in haar rechten,
En maakt met haar vereend tot levend wezen,
Wat zonder haar slechts een dood lichaam is.
Maar beeld u toch niet in, dat al uw kunst,
Hoe groot ze zij, u der natuur tot heer maakt,
En bind haar niet aan regels, aan modellen. -
In wien de kracht is en de Godheid woont,
Die schept in vormen, lijnen, kleuren, tonen.
Wanneer de ziel hem smart, weent hij zijn tranen,
En glimlacht waar hij smaakt den roes der vreugdre,
En schoon ’t een nieuwe baan is, die hij breekt,
Hij zal zijn doel met zekerheid bereiken.
Met zijn gewrocht begini een nieuwe regel;
Misschien als boei, maar nooit als vleugel dient
De theorie aan een geslacht van dwergen.

SCHOLIER
O zeg mij, meester, zeg, wat moet ik doen?
Ik, die zoo meengen nacht der studie wijdde,
Zou met den eersten besten dwaas gelijk staan,
En al deez arbeid zou verloren werk zijn?

ADAM
Neen, niet verloren, wijl juist hij de kracht schenkt
Al haar verleiding thans reeds te verachten.
Die geen gevaar nog onder de oogen zag,
Heet moedloos, waar hij wijkt. Beproefde moed
Kan kalm den nutteloozen strijd vermijden,
Geen argwaan zal zijn dapperheid betwijflen.
Hier, neem deez geel geworder perkamenten,
Deez folianten, door den tijd beschimmeld,
Gooi alles in het vuur. Zij zijn ’t, die ons
Het gaan op eigen beenen doen vergeten,
En ons de moeite van het denken sparen.
’t Vooroordeel eeuwenouder dwaling sluipt
Met hen de nieuw gevormde wereld binnen.
In ’t vuur er mee! naar buiten in de vrijheid!
Waarom zoudt gij steeds leeren, wat het lied is,
Van welken aard het bosch, terwijl intusschen
Uw leven vreugdeloos heenvloeien zou,
Besloten in bestoven kamermuren?
Beschouwt gij ’t leven als zoo lang, dat gij
Tot aan uw graf in theorie wilt doen?
Wij namen beiden afscheid van de school.
U leide uw blozend frissche jeugd tot vreugde,
Tot zonneschijn en jubelend gezang!
(Tot Lucifer gewend).
Mij leid, gij geest des twijfels, verder voort,
De nieuwe wereld in, die zich zal vormen,
Wanneer ze eens grooten mans idee verstaat,
En ’t vrije woord geeft aan ’t verborgen denkeu,
Op ’t stof van alles wat in puin verviel.


VisszaKezdőlapElőre