(Het tooneel verandert weer in de met palmen begroeide streek der vierde scene. Adam, weder als jongeling, treedt nog slaapdronken uit zijn hut, en ziet verbaasd om zich heen. Binnen sluimert Eva. Lucifer staat in t midden van het tooneel. Stralende dag).
ADAM
Waar zijt ge heengevlucht, gij schrikgestalten?
Rondom mij leeft en glimlacht alles nog,
Als toen ik afscheid nam - mijn hart slechts brak.
LUCIFER
O ijdle mensch! Zoudt gij dan soms begeeren,
Dat de orde der natuur werd opgelost,
Er nieuwe sterren straalden in den nacht,
En t aardrijk beefde, - omdat een worm vergaat?
ADAM
Heb ik dan slechts gedroomd, of droom ik nu,
En is gansch dit bestaan wel meer te noemen,
Meer dan een droom, die voor een oogenblik
Ter neerdaalt op de stof, om weer met haar
In t niet te zinken? Wat ontvingen we ook
Een korte poos bewustzijn, om den schrik
Van t niet meer zijn er mee te kunnen zien?
LUCIFER
Wat klaagt gij? Slechts wie moedloos is ontvangt
Den slag, dien hij kon keeren, zonder strijd.
Maar kalm ziet de eeuwge runen van het lot
De sterke geest aan, mort niet, maar beproeft
Hoe hij zich t best daaronder staande houdt.
Zoo staat het eeuwig noodlot boven t toeval,
Gij zijt slechts t werktuig, dat het verder drijft.
ADAM
Neen, neen, gij liegt, des menschen wil is vrij.
Voorwaar, wel heb k dien prijs mij zelf verdiend,
Daarvoor deed k afstand van het paradijs.
Veel leerden mij de beelden van mijn droom,
Door veel werd ik teleurgesteld, maar thans -
Het staat aan mij, een andren weg te wandlen.
LUCIFER
Ja, als vergetelheid en eeuwge hoop
Geen bondgenooten waren van het lot!
Maar daar, waar de eerste uw mond genezen laat,
Dekt deze d afgrond met een sluier toe,
En zegt vertrouwend: honderd drieste springers
Zijn naar beneen gestort, gij slechts, bevoorrecht,
Gij zult die wezen, die er over heen springt. -
Doch onder nog veel andre zeldzaamheden
Heeft uw geleerdheid immers ook den worm
Gezien, die slechts in kat en torenvalk
Kan leven, en wiens eerste ontwikklingsvorm
Toeh enkel plaats kan vinden in de muis?
Noch de een, noch de andre muis is voorbestemd,
Om klauw van valk of kat te moeten voelen.
En zij, die met voorzichtigheid te werk gaat,
Kan ze ook vermijden, en als grijsaard sterven
In eigen huiselijken kring, maar toch
Houdt daar een eeuwge wet bestendig t oog op,
Dat net zoovelen in de klauw des vijands
Belanden, als er noodig zijn dat nog
Na duizend jaren die worm op aarde leve. -
Zoo is de mensch ook als individu
Wel niet gebonden, maar t geheel torst keetnen.
De geestdrift sleept u mee gelijk een strooom,
Nu voor die zaak, en dan voor gene weer.
De houtmijt zal althoos haar offers hebben,
En steeds ook zullen zijn die daarmee spotten.
Hij die de lijsten er van op kon maken,
Hij zou verbaasd de consequentie gaslaan
Van t lot, dat dood en huwlijk, zonde en deugd,
Geloof, krankzinnigheid en zelfmoord steeds
In onverbroken evenwicht bewaart.
ADAM
Houd op! wat denkbeeld licht mij daar door t hoofd -
Nog kan ik, God, zelfs nu kan k u trotseeren.
Schoon honderd maal het lot spreek: zoo lang leef,
Ik spot er mee, en leef niet, zoo k niet wil.
Ben ik niet nog alleen in deze wereld?
Vóor mij deez rots, en onder haar de diepte:
Een sprong als slottooneel - dan zeg ook ik:
Ten einde is t lang komediespel des levens.
(Adam gaat op de rots toe, Eva treedt uit de deur).
LUCIFER
Ten einde, o welk een ongerijmd gezegde!
Is ieder oogenblik niet einde en aanvang?
Zaagt gij daarvoor dan duizenden van eeuwen?
EVA
Geliefde, waarom vlucht gij van mij weg?
Uw laatste kussen zijn zoo koud geweest.
Thans woont er toorn of kommer op uw trekken;
Zoo vrees ik u
ADAM (verder gaande)
Waarom loopt gij mij na,
Wat waakt gij vorschend over al mijn schreden?
De man, die dezer wereld heerscher is,
Heeft meer te doen, dan zoet te minnekoozen.
De vrouw begrijpt hem niet en wordt hem drukkend.
(weeker wordend).
Waarom niet sliept ge nog maar iets, iets langer!
Ach, zwaarder zal mij thans het offer wezen,
Der toekomst offer, dat ik brengen wil.
EVA
Een woord verlicht u s levens last misschien.
Wat ons tot nogtoe twijfelachtig was,
Ontving nu zekerheid: de toekomst.
ADAM
Hoe?
EVA
Ik weet, een zaalge lach plooit wis uw lippen,
Waar ik t u fluistrend zeg; maar kom toch nader,
Nog nader, Adam, tot mij, - k voel mij moeder.
ADAM (op de knieën zinkend)
Gij hebt verwonnen Heer! Zie mij in t stof,
k Heb vruchtloos zonder, tegen u, gestreden,
Verhef me of vel mij neer! Ziehier mijn borst
LUCIFER
Worm! zijt ge uwe eigen grootheid reeds vergeten,
Die ge enkel dankt aan mij?
ADAM
Spreek niet daarvan.
Zij was een ledig drogbeeld; dit is rust.
LUCIFER
En gij, verdwaasde vrouw, zeg, waarop praalt gij?
Werd dan in zonde niet uw zoon ontvangen?
Ellende en zonde plant hij voort op aarde.
EVA
Dan komt een ander, niet in schuld ontvangen,
Alleen in smart geboren, die haar uitwischt,
En die op aard de naastenliefde brengt.
LUCIFER
Slaaf, durft ge in opstand komen tegen mij?
In t stof neer, mensch!
(Hij stoot met den voet naar Adam. De hemel opent zich; de Heer in zijn glorie verschijnt, omgeven van engelen).
DE HEER
Geest, zelf ter neer in t stof!
Voor mij is niemand groot.
LUCIFER (zich krommend)
O vloek, o vloek!
DE HEER
Verhef u Adam, wees niet neergeslagen,
Gij ziet, ik neem opnieuw in gunst u aan.
LUCIFER (ter zijde)
Het schijnt, men speelt hier een familiescene.
Misschien heel treffend voor t gemoed, maar heel
Vervelend voor t verstand; t is wis maar beter,
Ik maak mij uit de voeten.
(Hij wil gaan).
DE HEER
Lucifer!
Mijn woord is ook aan u, dus blijf en hoor.
(tot Adam)
Mijn zoon, spreek t uit, wat u nog steeds zoo neerdrukt.
ADAM
Heer, bange droomgezichten kwelden mij,
En wat er waar in was, ik weet het niet.
O wil t mij zeggen, wacht mij zulk een lot?
Is dit begrensd bestaan al wat ik heb?
Zoo in den strijd mijn ziel zich heeft gelouterd,
En rein geworden is als zuivre wijn,
Zal zij in t stof dan worden uitgegoten,
En ingezwolgen worden door de stof?
Of hebt den eedlen geest gij tot iets beters
Bestemd? Zal mijn geslacht steeds voorwaarts streven?
Zal t zich vereedlen, naadren tot uw troon,
Of als het vee doodmoede en reedloos zwoegen,
En nooit bij machte zijn uit d engen kring,
Waarin het immer rondgaat, uit te breken?
Wacht aan die eedle strijders een belooning,
Die voor de laaggezinde menigte,
Door haar gesmaad, hun bloed ten offer geven?
O schenk mij licht, en dankbaar zal ik dragen
Elk mij beschoren lot; ik kan slechts winnen
Bij iedren ruil, want deze onzekerheid
Is de ergste hel.
DE HEER
Mensch, staak uw verder
Naar t groot geheim, dat Godes hand weldadig
Bedekte voor uw gretig speurende oogen.
Wanneer gij zien zoudt, dat uw ziel hier slechts
Haar doorgangstijd beleeft, terwijl daar ginds
Een eeuwigheid haar wacht, t scheen u geen deugd meer,
Nog langer hier te toeven en te lijden. -
Wanneer gij zien zoudt, dat uw ziel tot stof
Vergaan moest, wat dan spoorde u langer aan
Van t stoffelijk genot des oogenbliks
Afstand te doen voor een verheven denkbeeld?
Maar waar als thans uw toekomst door de nevels,
Die haar voor u omhullen, zachtkens schittert,
Daar heft t besef van uw oneindigheid
U weer omhoog, waar u de looden zwaarte
Van t vluchtige aanzijn had ter neer gedrukt;
En sleept bij dit gevoel de trots u mee,
Dan zet de kortheid van t bestaan u perken.
Grootheid en. - deugd, ze zijn aldus verzekerd.
LUCIFER (hoonlached)
Voorwaar, een schoone baan, waarop gij gaan zult!
Uw leiders zullen grootheid dus en deugd zijn,
Deze ijdle woorden, die men slechts behchaamt,
Waar domheid, bijgeloof en blind vooroordeel
Ze als wachters begeleiden op hun pad.
Waarom begon k ook met den mensch iets groots
Hij is gekneed uit drek en zonnestralen,
In t weten dwerg, slechts in de blindheid groot.
ADAM
Spot niet, o Lucifer, spot niet met mij;
Ik zag het naakt gebouw van al uw kennis,
En doodsche koude kroop er door mijn borst.
Maar Heer, wie zal mij steunen, dat ik blijve
Op t rechte pad? Gij hebt ze mij onttrokken,
Uw mij beschermende, uw zoo wijze hand,
Toen ik de vrucht der kennis dorst te proeven.
DE HEER
Uw arm is sterk - verheven is uw hart,
Eindloos is de ruimte, die u roept tot arbeid.
En zoo gij t goede doet zal altoos door
Een stem weerklinken in uw borst, die u
Of aanspoort óf weerhoudt; volg deze slechts.
En waar in t bont gewoel van wisslend leven
Een oogenblik die hemelstem mocht zwijgen
In uw gemoed, daar zal de reine ziel
Van deze zwakke vrouw, die verder staat
Van alle lage, wereldsche belangen,
Dien klank vernemen, in haar binnenst zal
Hij zich tot lied, tot poëzie ontwikklen.
Met deez twee middlen staat zij u ter zijde,
In noodlot en geluk dezelfde steeds:
Een genius met troostend milden glimlach. -
En gij ook Lucifer, gij die een schakel
In t wijd heelal zijt, zet uw arbeid voort!
Uw leege wijsheid en uw trotsche ontkenning,
Zij zullen t gist zijn, dat in rijzing brengt,
En moge ook voor een enkel oogenblik
De mensch daardoor het rechte pad verlaten,
Dra keert hij van zijn dwaling toch terug.
Maar eeuwig zal t uw straf zijn, aan te zien,
Hoe wat gij meest wenscht te vernielen juist
Een nieuwe kiem van t groote en eedle ziln zal.
KOOR DER ENGELEN
Vrij tusschen zonde en deugd te kunnen kiezen,
Grootsch denkbeeld, dat als sterre voor ons staat,
En toch te weten, dat als een beschermer
Gods gunst ook over onze paden gaat.
Wees moedig dus, o mensch, wil niet versagen,
Al zou de menigte ook ondankbaar zijn;
Haar aanzien laat uw hoogste doel nooit wezen,
Stel eigen waarde boven wereldschijn.
Doe t groote, wijl ge u schamen zoudt voor t lage,
En t innerlijk bewustzijn van die schand
U als nietswaardig zou ter aarde buigen,
Waar gij met t hooge rijst tot hoogren stand.
Doch éen gedachte mag u nooit verblinden.
Al zij ook nog zoo schoon en fier uw baan,
Dat wat gij doet in t u geschonken leven
Door u tot Godes eere wordt gedaan,
Dat hij tot u als werktuig zijner plannen
Beperkt, op u zou aangewezen zijn.
Dank hem veeleer, waar gij in zijn plaats moogt werken,
En waar gij t grootste zijt, acht u daar klein.
EVA
O, ik verstond het lied; God zij geloofd!
ADAM
Ook ik vermoed het, en ik zal het volgen.
Laat enkel t einde, o laat mij dit vergeten!
DE HEER
Ik zeg u: mensch, blijf strijden en vertrouw!