TWEEDE TOONEEL

(In ’t Paradijs. In ’t midden staat de boom der kennis en die van ’t eeuwige leven. Adam en Eva komen op verschillende dieren omgeven hem tam en vertrouwelijk. Uit de geopende poort des hemels straalt glorie, en de zachte harmonie van ’t koor der engelen wordt gehoord. Stralende dag.)

EVA
O leven, leven, hoe zoo zoet, zoo schoon!

ADAM
En heer te zijn van alles hier op de aarde!

EVA
Te voelen, dat er voor ons wordt gezorgd,
En dat, door dank te staamlen, wij ’t vergelden
Aan hem, die al dees wellust ons bereidt!

ADAM
Afhankelijkheid, zie ’k, ligt in uw natuur. -
Mij dorst; merkt gij wel, Eva, hoe verlokkend
Daar ginds die vruchten wenken?

EVA
’k Pluk u eene.

DE STEM DES HEEREN
Terug! terug! heel de aard behoort u toe,
Slechts deze boomen niet. Laat van hen af!
Een andre geest is wachter van hun vruchten,
En wissen dood sterft die er van geniet.
Ginds bloost de volle druif u tegen, noodend
Om in de zoele schaduw uit te rusten
Van zonnebrand en schroeiend middaglicht.

ADAM
Een vreemd bevel! Toch schijnt het ernst te wezen.

EVA
Waarom zijn die twee boomen juist de schoonste,
En juist verboden?

ADAM
Waarom is de lucht blauw,
En groent het veld? - Genoeg dat dit zoo is.
Doe naar des Heeren woord, en kom met mij.
(Zij zetten zich in een priëel terneer).

EVA
Vlij aan mijn borst uw hoofd; ’k waai koelte u toe.
(Groote storm; Lucifer verschijnt tusschen ’t loover).

ADAM
Ha, wat is dat? Zoo iets hoorde ik nog nooit;
’t Is of een vreemd, vijandig element
Ons dreigend nadert.

EVA
Huivring grijpt mij aan.
De hemelsche muziek is ook verstomd.

ADAM
Hier aan uw boezem hoor ik die nog klinken.

EVA
En ik vind, hier beneden, in uw oogen
De glorie weer, die boven is verduisterd.
Waar ook behalve in ú kon ik ze vinden,
U aan wiens wensch alleen ik ’t leven dank?
Gij zijt toch als de vorstelijke zon,
Die, om niet eenzaam in ’t heelal te staan,
Zich zelve teekent in den waterspiegel,
En spelend toelonkt, blij als vond ze een makker.
Grootmoedig toch vergeet ze, dat die schijn
Slechts ’t bleeke beeld is van haar eigen gloed,
Dat tegelijk met haar in ’t niet moet zinken.

ADAM
O dierbre, spreek zoo niet, beschaam mij niet,
Wat is de klank, dien niemand kan vernemen,
De zonnestraal, die niets vindt te verlichten?
Wat ware ik zelf, zoo niet, gelijk in de echo
En in de bloem, ’k in u mijn eigen zijn
Zich tot een schooner leven zag ontwikklen,
Een leven, waar ’k mij zelf in kan beminnen?

LUCIFER (ter zij de)
Wat luister ’k naar dit teeder minnekoozen?
Ik keer mij af; de schande treft mij anders,
Dat ’t koud berekenend verstand op weg was
Het kinderlijk gemoed te gaan benijden.
(Een vogeltje begint op een naburigen tak te zingen).

EVA
O Adam, luister toch, zeg mij, verstaat ge
Het liefdesliedje van dien kleinen schalk?

ADAM
Ik luisterde naar ’t murmlen van de beek,
En ’t was mij schier, als zong ze ’t zelfde lied.

EVA
Wat wonderbare harmonie, geliefde;
Veelheid van klanken, maar toch éen gevoel!

LUCIFER (ter zijde)
Wat aarzel ik zoo lang? Op, op, aan ’t werk!
’k Zwoer hun verderf toe; dat zij dan verderven! -
Waarom blijf ik opnieuw hier twijflend staan? -
Zoo ’k vruchtloos eens met al de wapenmacht
Van eerzucht en van kennis hén bestreed,
Voor wie, als een beschermwacht, die hun harten
Van moeheid vrijwaart, hen na ’t vallen opheft,
Als goede geest zich dit gevoel kon plaatsen? -
Maar weg met allen schroom! Wie waagt, die wint.
(Nieuwe stormvlaag. Lucifer verschijnt voor het verschrikte menschenpaar. De helderheid verdonkert zich. Lucifer lacht luid).
Wat droomt gij?
(Tot Eva die wil vluchten).
O vertoef, gij schoone vrouwe,
Gun mij een wijl bewondrend u te zien.
(Eva blijft staan en vat Iangzamerhand moed).
(ter zijde) Dit woord zal nog millioenen malen werken.
(luid) Vreest gij soms, Adam?

ADAM
Voor u, nietig wezen?

LUCIFER
(ter zijde) Een goed begin van ’t trotsch geslacht der mannen!
(luid) Ik groet u, geestverwant.

ADAM
Wie zijt gij, spreek?
Komt ge uit den hemel, of van de onderwereld?

LUCIFER
Al naar ’t mij lust, bij ons is alles éen.

ADAM
’k Dacht niet, dat buiten ons nog menschen waren.

LUCIFER
Ha, ha, er is nog veel wat gij niet weet,
En ook niet weten zult. Of zou misschien
De vrome grijsaard op zijn wolkentroon
U daarom uit het stof geschapen hebben,
Om dees zijn wereld met u te gaan deelen?
Gij roemt hem, daarvoor onderhoudt hij u;
Hij zegt: dit moet gij nemen, dat weer vreezen,
Hij hoedt en leidt u als de herder ’t schaap.
Zoo ge al bewustzijn hebt, ’t dient u tot niets.

ADAM
Bewustzijn! - En heb ik dan geen bewustzijn?
Voel ik den zegenrijken zonnestraal,
De zoete vreugde niet van mijn bestaan,
En niet des Heeren eindelooze liefde,
Die mij tot dezer aarde God gemaakt heeft?

LUCIFER
Dat meent misschien ook gindsche kleine worm,
Die in de vrucht daar vóor u kruipt, en de aadlaar,
Die op de duif stort, houdt zich ook daarvoor.
Is daar in u iets eedlers dan in hen?
Zeg, is ’t de vonk, die in uw binnenst vlamt,
Als uiting van nog ongemeten kracht?
Aan de enkle golf der beek is zij gelijk,
Een oogwenk schittrend, maar dan weer verzinkend
Bij al haar zustren in de grijze diepte. -
Ja, iets misschien hebt gij toch voor; het denken,
Dat, schoon u onbewust nog, in u sluimert,
Het kan u mondig maken, u met trots
Doen voelen, dat gij tusschen goed en kwaad
Kunt kiezen, dat ge uw eigen lot bewerken
En vrij u maken kunt van ’t Godsbestuur.
Maar ’t is misschien u beter, als de worm
In ’t weeke slib van kleinen kring te blijven,
En onbewust te sterven met uw leven.
De rust van uw geloof is wonderlicht;
Op eigen voeten staan is schoon, maar zwaar!

ADAM
Gij zegt mij vreemde dingen; ’t duizelt mij.

EVA
Neen, mij bezielt uw taal, ze is groot en nieuw.

LUCIFER
Maar ’t enkel weten ware u niet genoeg.
Zal ’t ook in grootsche werken zich vertoonen,
Zoo is het noodig dat ge onsterflijk zijt.
Wat zou een vluchtig aardsch bestaan vermogen?
Dees beide boomen schenken u dit alles;
Doch die u schiep, ontzegde juist die beide.
Als God alwetend maken u dees vruchten,
En eeuwig duren zal door haar uw schoonheid.

EVA
Hoe wreed is hij dan, die ons heeft geschapen!

ADAM
Maar zoo ge ons eens bedroogt?
(De helderheid keert een weinig terug).

HEMELSCH KOOR
Wee u, o wereld!
’t Is de oude ontkenningsgeest die u verzoekt.

DE STEM DES HEEREN
Mensch, waak!

ADAM
Wat toon klinkt daar opnieuw?

LUCIFER
De wind
Ruischt door de takken heen.
(Ter zij de bezwerend)
Nadert in nacht, Geesten vol kracht!
Den mensch helpt mij brengen
Voorgoed in uw macht.
(Storm, het licht verdwijnt).
Dees beide boomen zijn mijn eigendom.

ADAM
Wie dan zijt gij? Gij schijnt aan ons gelijk.

LUCIFER
Ziet gij den aadlaar ginds de wolken klieven,
En dezen mol daar onder de aarde wroeten?
Gelijk hun beider horizon verschilt,
Zoo ligt het rijk der geesten buiten d’uwen,
En mensch is wat voor u het hoogste staat.
De hond is voor den hond het ideaal;
Hij eert u dus door makker u te noemen.
Maar zooals gij verachtend op hem neerziet,
Zijn lot bepaalt, en als de Godheid zijt,
Die vloek of zegen uitstort over hem,
Zoo zien ook wij hoogmoedig op u neer,
Wij trotsche leden van het geestenrijk.

ADAM
Dus zoudt gij een van deze geesten zijn

LUCIFER
Ja, en van al die machtigen de grootste,
Die eenmaal stonden aan den troon van God
En in zijn schoonste glorie mochten deelen.

ADAM
Waarom dan bleeft gij niet in ’s hemels glans?
Waarom kwaamt gij tot ons in ’t stof der aarde?

LUCIFER
Meer nog dan tweede wezen was mijn streven;
Mij stuitte dat eentonig hemelsch leven;
Voor ’t kinderlijk gezang van ’t englenkoor,
Dat altijd prijst, nooit laakt, had ik geen oor.
Disharmonie en strijd, ziedaar mijn aard,
De strijd, die immer nieuwe krachten baart,
Waarbij de ziel in zich haar grootheid vindt.
Hij volge mij, die, fier als ik gezind......

ADAM
God dreigde ons met zijn straf, zoo wij een ander
Dan ’t pad, dat hij ons aanwees, wilde kiezen.

EVA
En waarom straffen? - zoo hij ons de baan
Aanwees, waarop hij wenschte dat wij gingen,
Had hij ons ook standvastig moeten scheppen,
Dat ons geen booze lust naar elders trok.
Wat plaatste hij ons voor een diepe afgrond
Met duizlend hoofd, en reeds ten val bestemd?
Doch zoo van ’t scheppingsuur reeds af de zonde
Was opgenomen in zij n wereldplan,
Zooals het onweer tusschen heete dagen,
Wie laakt ze dan’i wie zegt er tegen den stormwind:
„Gij zondigt, wijl gij loeit, waar gene koestren.”

LUCIFER
Ei zie eens, de eerste wijsgeer is verschenen.
U zullen velen volgen, schoone zuster,
Die op millioenen wijzen ’t zelfde zeggen.
De nacht des waanzins zal voor velen ’t eind zijn,
Weer andren deinzen bang terug, de haven
Zal geen bereiken; - staak dus ’t vruchtloos peinzen,
Daar is geen ding, of ’t heeft zoo vele kanten,
Dat wie die alle naspeurt minder wijs
Zal wezen dan hij was bij d’eersten blik,
En tot een eindbeslissing komt hij toch niet. -
’t Bespiegelen is de dood van alle daad.

EVA
Welnu, zoo laat mij een dier vruchten plukken.

ADAM
Ze zijn van God vervloekt.
(Lucifer lacht hoonend).
Doch pluk ze maar.
Moog’ komen over ons wat komen moet,
Laat ons alwetend zijn, gelijk God is!
(Eerst Eva, dan Adam proeven van den Appel der kennis).

EVA
En geef ons thans ook eeuwge jeugd.

LUCIFER
Hierheen!
Daar staat de boom van ’t eeuwig leven, haast u!
(Hij trekt ze naar den tweeden boom; een Cherub met vlammend zwaard plaatst zich op hunnen weg).

CHERUB
Weg, zondaars!

DE STEM DES HEEREN
Adam, Adam, hebt ge mij
Verlaten, ik verlaat ook u; zie toe,
Wat gij door eigen kracht vermogen zult.

EVA
’t Is uit met ons.

LUCIFER
Versaagt gij?

ADAM (fier)
Nimmermeer!
Dit is de huivring slechts van mijn ontwaken. -
Vreemd reeds en eenzaam komt deez’ plek mij voor.
Vanhier, mijn gade, waar ook heen, - weg, weg!
(Zij vluchten).

HEMELSCH KOOR
Plengt tranen van meelij, gij hemelsche koren,
De leugen verwint, - ach de aarde is verloren.


VisszaKezdõlapElõre