DERDE TOONEEL

(Heerlijke streek buiten het paradijs. Een kleine, ruwe houten hut. Adam velt palen voor de omheining. Eva maakt een priëel. Lucifer slaat hen gade).

ADAM
Dit is mijn thuis. Instee van heel een wereld,
Is nu dees kleine ruimte mijn bezit.
Hier ben ik heer, verjaag de wilde dieren,
En dwing dit plekje gronds zijn vruchten af.

EVA
En ik bouw ons een schaduwrijk priëel,
Aan ’t vroegere gelijk; zoo toovren wij
’t Verloren Eden ons ook hier terug.

LUCIFER
Voorwaar, gij hebt een machtig woord gesproken!
De band van eigendom en van familie,
Die zal voortaan der wereld sterke drijfkracht,
De bron van al haar vreugd en smarte worden.
Uit deez’ gedachten zal zich ’t groot begrip
Van vaderland en van verkeer ontwikklen;
Zij zullen ouders zijn van al wat groot is,
En toch verteerders van hun eigen kindren.

ADAM
Gij spreekt in raadsels. Kennis hebt ge mij
Beloofd, instee van ’t onbezorgd instinct,
Waarvan ik afstand deed; en, moest ik strijden,
’t Zou zijn om groot te worden. Waar is nu
’t Beloofde resultaat?

LUCIFER
Dus voelt gij ’t niet?

ADAM
Ik voel slechts, dat, toen mij de Heer verliet,
Met leege hand ter woestenij mij heendreef,
Ook ik hem heb verlaten. Sedert werd ik
Mijn eigen God; wat ik door strijd verwierf,
Komt mij rechtmatig toe, daarvoor geen dank!
Dat is mijn kracht en trots.

LUCIFER (ter zijde)
O ijdle praler,
Wilt gij thans ook den hemel gaan trotseeren?
Ik zie uw hart al als de bliksems vlammen.

EVA
Dit is mijn trots: ’k zal moeder zijn van ’t menschdom.

LUCIFER (ter zij de)
Het vrouwenhart kent waardige idealen;
Het wil der zonde leed onsterflijk zien!

ADAM
Wat dank ik ook aan God? Mijn naakt bestaan;
Want zal dit leven levenswaardig wezen,
Dan zal ’t de vrucht van eigen moeite zijn.
De vreugde, die een frissche dronk mij schenkt,
Moet ’k met de hitte van mijn dorst verwerven.
Der kussen zoet betaal ik met den prijs,
En ach, ze volgt terstond, van bittre ontgoochling.
Maar dat ’k de kluisters van de dankbaarheid
Reeds afwierp, dat ik vrij geworden ben
Mijn lot te scheppen, en weer te vernielen
Wat ik onzeker tastend heb ontworpen,
Daartoe had ik uw hulp weI niet van noode,
Dat had ik ook uit eigen kracht vermocht.
Gij hebt de zware keten niet verbroken,
Die dit mijn lichaam kluistert aan het stof.
Ik voel: daar is, schoon ik ’t niet noemen kan,
Een iets, misschien een haartje slechts - des te erger
De schande, zoo het klein is - dat een perk
Aan mijne trotsche ziel stelt. Zie, ik zou
Hoog willen springen, maar mijn Iichaam valt
Ter neer; mijn oog, mijn oor verzaakt zijn dienst,
Waar ik ’t geheim der ruimten uit wil vorschen;
En voert verbeelding mij naar hooger sferen,
Dwingt mij de honger needrig weer te dalen
Tot de in het stof vertredene materie.

LUCIFER
Die band is sterker dan ik ben.

ADAM
Voorwaar,
Dan zijt ge wel een zwakke geest, zoo u
Dit onzichtbare spinneweb, dit niets,
Wat duizenden van wezens zelfs nooit merken,
Waar zij met een gevoel van vrijheid tusschen
De mazen spartlen van hun net, - zoo dit,
Wat slechts door enkele uitverkoren geesten
Vermoed wordt, reeds vermag u trots te bieden.

LUCIFER
„Dit niets”, zegt gij! ’t is ’t eenge, wat zulks kan,
Omdat het geest als ik is. Meent gij soms
Dat het niet sterk is, wijl het in ’t verborgen,
Geruischloos werkt? - Geloof dat niet; er schuilt
Juist in het donker, wat een wereld schokt
En wat een wereld schept, omdat zijn aanblik
De hoofden zou doen duizlen. Slechts het werk
Des menschen blinkt en maakt gerucht, dat werk,
Waarvan het oogenblik en wieg en graf is.

ADAM
Zoo laat mij dan die stille kracht aanschouwen,
- Slechts één moment; gij weet: dit hart is sterk -
Die invloed op mij oefent, mij, die fier
Te roemen dorst: ik ben mij zelf alleen.

LUCIFER
„Ik ben” - dwaas woord! Gij zijt geweest, en zult zijn;
Een eeuwig worden en vergaan is ’t leven.
Doch zie m ’t rond en zie met geestesoogen.

ADAM
(Al wat hij in ’t volgende zegt, wordt ook zichtbaar).
Wat voor een stroom bruist om mij heen, en breekt
Zich onophoudelijk tegen gindsche hoogte,
Waar hij zich splitst, en als een wilde storm
Tot aan de pool rolt?

LUCIFER
’t Is de warmtestroom,
Die leven brengen zal aan ’t rijk van ijs.

ADAM
En dan die beide stroomen vuurs, die ’k bruisend
Aan mij voorbij zie gaan, zoo woest van vaart,
Dat ’k meegesleurd te worden vrees, terwijl
Ik toch voel, dat zij levenwekkend werken,
Wat kan dit zijn? Ik wordt er door bedwelmd.

LUCIFER
’t Is de magneet.

ADAM
Ook de aard trilt onder mij;
Wat ik tot nog toe hield voor hard en vormloos,
Veranderde in een gistende materie,
En al wat vorm tracht aan te nemen strijdt
Om ’t recht van zijn bestaan. Ginds is ’t kristal,
Hier weer zijn ’t bloesems. O, waar in dien chaos
Zal mijn zelfstandig organisme blijven?
Wat zult gij zijn, mijn lichaam, waar ’k zoo ijdel,
Bij al mijn groote plannen en verlangens,
Als op een duurzaam middel, op vertrouwde?
O gij vertroeteld kind, dat smart en wellust
Mij tegelijk verschaft, gij wordt vernederd
Tot niet meer dan een handvol stof; wat water
En snel vervlogen lucht wordt al uw inhoud;
Mijn geestlijk leven ook, al wat mij blozen
En vreugd gevoelen deed, ’t zal met mijn lichaam
Verdampen in de ruimte. Elk van mijn woorden,
Elk denkbeeld, dat gevormd wordt in mijn hersens,
Teert tegelijk een deel mijns wezens weg;
’k Verbrand! - en dit verderf bereidend vuur
Stookt mooglijk een verborgen geest, die liefst
Zich met mijn ondergang vermaken zou.
Weg met deez aanblik, want hij maakt mij razend,
Zóó in den strijd te staan, geheel alleen,
Te midden van deez’ honderde elementen
Met ’t pijnigend gevoel der eenzaamheid,
Hoe vreeslijk is ’t! - Ach, waarom stiet ik ook
De goddelijke leiding van mij af,
Die mijn instinct vermoedde, doch niet eerde;
Mijn weten smacht er naar, doch vruchteloos!

EVA
Zoo is ’t, zoo is ’t, ook ik gevoel iets derglijks.
Nu eens, wanneer gij strijdt met ’t wilde roofdier,
Of ik, hoe moede ook, zorg voor onzen tuin,
Gaat over heel deze aard mijn blik in ’t rond,
En ach op heel deze aard is niets verwant,
Geen enkle vriend, die opbeurt of beschermt.
Zoo was het vroeger niet in schooner tijd.

LUCIFER (hoonend)
Welnu, wanneer uw zin zoo angstig is,
Dat zonder ’s wachters steun en zorg gij beeft,
En de onderwerping uw behoefte blijft:
Dan roep ook ik u wel een Godheid op,
Die milder zijn zal dan het de oude was.
Den geest van dezen aardbol, ’k ken hem wel
Uit ’s hemels kring nog, ’t is een sehoone jongling.
(bezwerend)
Verschijn, gij geest der aard; waar ik gebied,
Daar, weet gij, zinkt uw kracht voor mij in ’t niet.
De aloude geest des twijfels roept u aan,
Geen ander die dit waagstuk zou bestaan.
(Uit de aarde stijgen vlammen op, zwarte zware wolken vormen zich, waarboven een regenboog, sterke donder).

LUCIFER (terugtredend)
Wie zijt gij, spooksel a niet u heb ’k geroepen.
Zwak is en mild gezind der aarde schutsgeest.

STEM VAN DEM AARDGEEST
Wat gij als zwak in ’s hemels kring aanschouwdet,
Is onbegrensd van kracht in eigen kring.
Hier ben ik, wijl ’k de roepstem van den geest
Moet volgen, maar let wel op, dat bezweren
Nog iets heel anders dan beheerschen is.
Ondekte ik u mijn eigen beeld, gij zonkt
Voor mij ineen, deez wormen hier vergingen.

LUCIFER
En zoo de mensch als Godheid u beschouwde,
Hoe zou hij u, den trotsche, kunnen naadren?

STEM VAN DEN AARDGEEST
Ik ben verdeeld in water, lucht en wolken,
In alles wat zijn oog maar kan aanschouwen
Met sterk verlangen en bezield gemoed.
(Hij verdwijnt).
(Het bosch en de beek bevolken zich met betooverende spelende nimfen).

EVA
O zie die lieve, zusterlijke trekken,
Zie, zie toch, hoe bekoorlijk zij ons groeten;
Geen eenzaamheid, geen wildernis is meer,
’t Geluk komt met haar in ons midden toeven;
Zij spreken ons in onze smart een troostwoord,
En geven, waar wij twijflen, ons haar raad.

LUCIFER
Gij kunt ook nergens beetren raad u zoeken
- Gij, die reeds zelf beantwoordt wat gij vraagt, -
Dan bij deez schoone, teedere gestalten,
Die ook naar luid der vraag u antwoord geven.
Glimlachend zien zij neer op ’t rein gemoed,
En schrikwekkend neer op wie vertwijfelt;
In honderd vormen zullen ze u verzellen:
Der moegepeinsde wijsheid frissche schaduw,
En ’t ideaal van ’t eeuwig jeugdig hart.

ADAM
Wat nut, wat nut dat flonkerende spel,
Dat ’k vóor mij zie? Ik kan het niet begrijpen-
Een raadsel slechts te meer won ik er bij,
O vlei mij verder niet met valsche hoop,
Doe me alles weten, zooals gij beloofdet.

LUCIFER
(ter zijde)
Dat weten zal u nog eens bitter worden,
Dan snakt gij naar onwetendheid terug.
(luid)
Geduld maar! ’t oogenblik van zaligheid
Moet ge ook met harden strijd u eerst verdienen;
Veel scholen zult gij nog doorloopen moeten,
Vóor gij volleerd zijt, vaak u nog vergissen,
Vaak dwalen nog, vóor ge alles hebt begrepen.

ADAM
Gij kunt gemaklijk spreken van geduld,
Ontsloten ligt vóor u een eeuwigheid,
Doch mij, die van den levensboom niet proefde,
Waarschuwt mijn kort bestaan, dat ik moet haasten.

LUCIFER
Wat leven heeft leeft alles even lang;
De boom van honderd jaar en de éendagsvlinder,
Ze denken, juichen, minnen, - en vergaan
Wanneer hun taak volbracht, hun lust gestild is.
’t Is niet de tijd, die voortspoedt, - wij verandren;
Of in éen dag of pas in honderd jaren,
Dat staat gelijk. Vrees dus maar niet, ook gij
Zult wis uw leven leven, zoo ge slechts
Niet gaat gelooven, dat geheel het menschdom
Besloten is in uw verganglijk lichaam.
Gij ziet den mierenhoop, den bijenzwerm;
Druk bezig woelen duizenden daar rond,
Blind werkend, dolend, en in ’t niet verzinkend,
Maar ’t groot geheel blijft éen van geest bestaan,
Leeft, werkt, en zal zijn doel gewis bereiken,
Totdat het einde komt, en alles rust.
Uw stoflijk hulsel, ja, ’t valt zoo uiteen,
Maar gij herleeft in honderd vormen weer,
En niet opnieuw behoeft gij te beginnen:
Wat gij gedaan hebt, boet gij in uw zoon,
Gij zet uw jicht voort in zijn bloedbederf;
Wat gij gevoeld, ervaren en geleerd hebt,
’t Behoort u na millioenen jaren nog.

ADAM
Zoo ziet de grijsaard op ’t verleen terug;
Maar andre wensch brandt in mijn jonge borst:
Een blik te werpen in de verre toekomst,
Te zien, waarom ik kamp, en wat ik lijd.

EVA
Te zien ook, of bij al die wisselingen
Net mijn bekoorlijkheen verloren gaan.

LUCIFER
Het zij! Een tooverslaap dale op u neer,
Die u de verste toekomst kennen leer’
In beelden van een snel vergaanden droom;
Maar opdat over u geen wanhoop koom’,
Wanneer gij ziet wat zware strijd u wacht,
Wat schaamle prijs als doel u tegenlacht,
En gij dan niet gaat vluchten uit den strijd:
Weest door een kleinen zonnestraal geleid,
Die u doet denken, dat aI wat gij ziet
Slechts drogbeeld is - de hoop verlate u niet!
(Hij heeft inmiddels Adam en Eva naar de hut geleid, waar zij insluimeren).


VisszaKezdõlapElõre