(In Egypte. De voorgrond stelt een open hal voor. Adam, als jeugdige Pharao, zit op zijn troon. Lucifer, als minister, staat bij hem; op eerbiedigen afstand bevindt zich een schitterend gevolg. Op den achtergrond werken slaven aan den bouw eener Pyramide, door de opzichters met zweepslagen er toe aangezet. Het is helders dag).
LUCIFER
Grootmachtig heer, bekommerd vraagt uw volk,
Dat zalig goed en bloed voor u zou geven,
Wat toch wel maakt, dat op de weeke kussens
Des troons de groote Pharao niet kan rusten.
Wat u de lusten van den dag doet offren,
De zoete minnedroomen van den nacht,
En wat u t grootsche plan, dat ongetwijfeld
Uw geest vervult, niet toevertrouwen doet
Aan uwen dienstknecht, wien deez last betaamt.
Bezit gij dan niet reeds geheel een wereld?
Is alle macht en glorie niet u eigen,
En wat aan wellust maar de mensch kan dragen?
De rijke schat van honderde provincies
Staat u ten dienste, voor u opent zich
De kelk der schoonste, geurenrijkste bloem,
En zoete vruchten rijpen slechts voor u.
De borst van duizend vrouwen zwelt u tegen:
Die blonde schoonheid met haar kwijnende oogen,
Zoo fijn en tenger als een feeënkind,
Dat bruine meisje met haar purpre lippen,
En wat verlangend vuur in iedren blik. -
Zij allen zijn uw eigendom. Eén luim
Van u is meester over gansch haar lot,
En allen voelen, dat ze aan haar bestemming
Voldeden, zoo ze een enkel oogenblik
Voor u te kruiden wisten met haar schoonheid.
ADAM
Dit alles heeft voor mijn gevoel geen prikkel.
t Komt tot mij als een afgedwongen schatting,
Waarvoor k niet strijd, die k niet mij zelf kan danken.
Maar met dit werk, dat ik hier scheppen laat,
(hij wijst op de pyramide)
Verwacht ik, dat ik elk den weg getoond heb,
Die tot het doel van ware grootheid voert.
Bewondren zal natuur de kunst hierin,
En zal mijn naam door eeuw op eeuw doen roemen.
Aardbeving noch geweld werpt dit omver;
Des menschen kracht gaat Godes kracht te boven.
LUCIFER
En toch, o Pharao, zijt ge in deez waan
Gelukkig? Antwoord met de hand op t hart.
ADAM
Ik ben het niet. t Is alles leegte in mij,
Een onuitspreeklijke, onbegrensde leegte.
Maar zij dit, hoe het zij. Niet naar geluk,
Naar roem slechts streefde ik, en die opent zich.
Zoo maar de menigte mijn smart niet merkt; -
Hij wordt niet meer aanbeden, die beklaagd wordt.
LUCIFER
Hoe zal t dan wezen, als gij eens ontdekt,
Dat ook de roem een spel is van t moment?
ADAM
Dat kan niet zijn!
LUCIFER
En als het toch zoo ware?
ADAM
Te sterven wenschte ik dan, de wereld na mij
Vervloekend.
LUCIFER
k Zeg u toch, dat gij niet sterft,
Al ziet gij eens ook in, dat gij bestendig
Opnieuw begint, en de eigen uitkomst krijgt.
(De opzichters slaan een der werkende slaven zoo ruw, dat deze weeklagend en vervolgd in de open hal Ioopt, en voor den troon in elkaar zakt).
SLAAF
(tot Pharao)
O, help mij, heer!
(Uit het midden der arbeiders dringt Eva, als gade van den slaaf, naar voren, en werpt zich met luiden smartkreet over haar echtgenoot).
EVA
Daar smeekt gij vruchteloos;
Nooit immers nam hij deel in onzen jammer,
Hij voelt niet, voelt niet! - Zachtkens steunt de klacht,
En hoogverheven staat de troon. Waarom
Riept gij mij niet, die u bemint, ik zou
Met t eigen lichaam iedren wreeden slag,
Die u bedreigde, hebben opgevangen.
ADAM
(Tot de in menigte binnendringende opzichters, die den slaaf en zijn gade willen meesleuren).
Laat deze vrouw met rust. Van hier met u!
(De opzichters gaan).
Welk onbekend gevoel doortrilt mijn hart?
Wie is die vrouw, en wat is deez betoovring,
Waarmee zij als met keetnen Pharao,
Den groote, tot zich neertrekt in het stof!
(Hij staat op)
LUCIFER
Dat is alweer een van die vele banden,
Waarmee uw Trieer ten hoon u heeft omstrikt,
Om, waar ge u inbeeldt dat ge als vlinder rondvliegt,
U te herinren, dat ge nog slechts rups zijt. -
Gij hebt gezien, hoe sterk deez dunne draad is,
Hij glijdt ons van de vingers, en daarom
Heb ik geen vat er op, dien los te scheuren.
ADAM (de trappen van den troon afdalend)
Ook wist ik u geen dank, zoo gij t beproefdet;
Die band is juist zoo aangenaam als kwetsend.
LUCIFER
Maar ongepast is t, dat een wijze en koning
Daaronder zuchtte als slaaf.
ADAM
Wat moet ik doen?
LUCIFER
Niets rest als dat de wetenschap geheel
t Bestaan onkent van dien verborgen draad,
En kracht en stof daarover hoonend spotten.
ADAM
Ik kan niet spotten, en ik kan niet loochnen.
EVA (tot den slaaf)
Ach dierbre, stroomsgewijze vloeit uw bloed,
Hoe kan ik t stelpen? ach uw smart is groot.
SLAAF
Slechts t leven smart; nu smart het dra niet meer.
EVA
O spreek niet zoo, wat leefdet gij tot heden,
Zoo gij nu sterft, nog pas met mij vereend?
SLAAF
Waar leeft de slaaf voor? - Tot de pyramide
Van Pharao draugt hij de steenen aan,
Verwekt nakomelingen voor zijn juk,
En sterft dan, - millioenen voor éen enkle.
ADAM
O Lucifer, wat vreeslijk woord is dit!
LUCIFER
Het is de waanzin van den doodstrijd slechts.
ADAM
Wat sprak hij toch?
LUCIFER
Kan t Pharao ter hart gaan?
Nu dan, ik zeg u wat hier groots gebeurde:
Er is een slaaf nu minder op deze aarde.
EVA
Wat u een cijfer slechts, t is mij de wereld!
O wee mij, wie zal voortaan mij beminnen?
SLAAF
Ik niet meer. - Tracht mij te vergeten, dierbre.
(Hij sterft).
ADAM
Voortaan zal ik u minnen.
(tot de andre slaven)
Brengt den doode
Van hier.
(Het lijk wordt opgenomen; Eva weerhoudt nog zijn
wegvoering).
(tot Eva)
Sta op, uw plaats is deze troon:
Gij zijt toch even goed de kóningin
Der schoonheid als ik de kóning ben van kracht.
Ja, onze zielen moesten zich ontmoeten.
EVA
O groote Pharao, uw wil is wet,
Van mij geen weigering; vergun mij slechts
Een korte poos, waarin ik weenen mag,
En dan - beveel!
ADAM
Herhaal dit woord niet meer.
Bezit ik alles dan slechts op bevel?
EVA
Het moog genoeg u zijn, zoo uw bevel
Niet smartlijk voor mij is. - O wil den doode
Net in deez eersten bangen stond mijn tranen
Benijden. O mijn mooie, mooie doode!
(Zij werpt zich over den doode)
ADAM
Mooi en toch dood, wat vreemde tegenstelling!
Hoe spot die ruste met ons rustloos streven,
En deze glimlach met onze ijdelheid!
LUCIFER
Deez weggeloopen slaaf dorst u trotseeren,
Als sprak hij: k ben nog sterker dan uw keetnen.
ADAM
Den dooden vrede, hun die leven vreugde!
Hij voelt uw tranen niet, ik mis met smart
Uw glimlach.
(De doode wordt weggedragen. Adam geleidt Eva naar den troon).
Vlij u aan mijn zijde neer.
(Jammerkreten onder de arbeiders, Eva krimpt ineen)
Wat overkomt u, liefste?
EVA
O hoort gij niet
Het weegeklag des voiks?
ADAM
Voor de eerste maal
Bereikt het mij; ja, t is gcen schoone toon,
Maar let er niet op. Kus mij, en vergeet
De wereld om ons heen.
(tot Lucifer)
Doe gij verstommen
Dit weegeklag.
LUCIFER
Heer, dit vermag ik niet,
Dit is het oud, onschendbaar recht des volks,
Dat met zijn juk t als erfdeel heeft aanvaard.
(Vernieuwd weegeklag. Eva barst in snikken uit, Adam rijst op).
ADAM
Gij lijdt, mijn gade, en ik, ik weet niet, hoe
k U helpen moet. Gelijk een bliksemstraal,
Zoo dringt deez kreet mij door het hoofd in t hart,
En t is me of gansch de wereld schreeuwt om hulp.
EVA
O Pharao, verpletter maar vergeef mij,
Zoo t veegeklag des volks geen rust mij laat.
Wel weet ik dat k uw eigendom slechts ben,
Dat al mijn doel moet zijn u te vermaken,
Ik heb vergeten al wat verder is:
Ellende, droomen, ach, den doode zelfs,
Opdat mijn glimlach vreugd, mijn kus een vlam zij;
Maar waar het volk, dit duizendarmig wezen,
Wegkrimpend jammert bij den slag der zweepen,
Daar ben k een deel van dit zijn lijdend lichaam,
Ik, dochter van dit volk, dat ik verzaakte,
En in mijn eigen hart voel k al zijn pijnen.
ADAM
Ik voel ze mee. Millioenen voor één enkle! -
Zoo klonk des dooden woord.
EVA
O Pharao,
Mij treft de schuld, dat gij zoo ernstig werdt.
Stoot mij van u, of - leer mij doof te wezen.
ADAM
Gij zelve hebt iets beters mij geleerd:
Het weegeklag te hooren van mijn volk.
Doch nu wil ik geen jammerkreet meer hooren.
- Vrij zij dit volk van knechten! Wat is ook
De glorie waard, nu de enkele zijn roem
Met t wee en met t verderf van millioenen,
In wie de mensch ook ademt, koopt? Ik voel
Voor ééne vreugd millioenen malen pijn.
LUCIFER
O Pharao, gij dweept, de menigte,
Geloof mij, werd door t lot bestemd tot lastdier,
Dat onder t zware juk gelaten voortzwoegt,
En t opgelegde daaglijksch werk verricht.
Dat wat gij prijsgeeft komt haar niet te baat,
Want morgen zoekt ze zelve een nieuwen meester.
Of meent ge, dat gij haar beheerschen zult,
Zoo zij niet voelde dat ze een heer behoeft,
Zoo zelfbewustzijn zetelde in haar borst?
ADAM
Wat klaagt ze dan, of door haar dienstbaarheid
Ze bitter leed?
LUCIFER
Ze klaagt, t waarom niet wetend.
Ze klaagt, wijl iedren mensch de zucht tot heerschen
Is ingeschapen. Dit gevoel, en niet
De naastenliefde voert den grooten hoop
In de armen van de vrijheid, - geen klaar inzicht,
Alleen een flauw besef drijft deze slaven
Tot nieuwigheen, tot strijd met al t bestaande,
Vol hoop dat zij in t nieuwe eenmaal belichaamd
Hun droomen van geluk aanschouwen zullen.
Het volk is als de zee: hoe t zonlicht straal,
Het dringt niet in de diepte, daar woont duister;
Alleen de golf aan de oppervlakte schittert, -
En gij zijt nu toevallig deze golf.
ADAM
Waarom juist ik?
LUCIFER
Of een, die u verwant is,
Die goed den prikkel weet voor t volk te kiezen,
En als der vrijheid veel bewonderd held
Zich op uw eereplaats vermag te dringen.
De menigte zal er niets bij gewinnen.
De naam slechts wisselt, maar de heerscher blijft.
ADAM
Wat kringloop van spitsvondigheden voert gij
Mij binnen, waaruit nergens uitweg is.
LUCIFER
Er is een uitweg. Geef aan uw verkoornen
Wat ringen, eerekeetnen ten geschenke,
Geef andren speelgoed, en spreek dan hun toe:
k Verhef u boven t volk, en maak u eedler. -
Zij zullen t wel gelooven, en, verachtend
Neerziend op t volk, ook uw verachting dulden.
ADAM
Verzoek mij niet met uw verleiderstaal;
Weg met deez dienstbaarheid, een elk zij vrij!
Verkondig t hun, maar spoed u met die boodschap,
Dat, kwam ooit naberouw, het toch te laat kwam.
LUCIFER (ter zijde)
Vooruit maar; beeld u in, gij kiest uw baan,
Toch zult gij met den stroom van t lot slechts gaan.
(Hij verwijdert zich).
ADAM
Dit werk hier blijv zich onvoltooid verheffen,
Een waarschuwing voor wie naar grootheid streeft,
Een eeuwig zinbeeld onzer zwakke kracht.
(Buiten groot vreugdegeschreeuw, de arbeiders verstrooien zich. Lucifer keert terug).
Verheugt u, slaven, dat de macht zich boog,
Maar durft niet wanen, dat gij haar bedwongt.
EVA
O troost u mijn geliefde, gij verliest niets;
Wat is die eenzaam leege glorie waard,
Een kille slang, die inkruipt tusschen ons.
ADAM
Ze is grootheid toch!
EVA
Weg met haar! Hoort gij wel,
Verstomd is t weegeklag, niets meer verstoort
Nu onze zaligheid; wat kan uw hart
Verlangen nog, waar ge aan mijn boezem rust?
ADAM
O vrouw, hoe eng beperkt is uw gezichtskring,
En juist dit trekt den trotschen man tot u. -
De kracht vermag de zwakheid slechts te minnen,
Gelijk de zorgende ouders dan hun kind
Het liefst omarmen, als het hulploos is.
EVA
O Pharao, misschien schijnt dit eenvoudig
Gepraat u onbeduidend reeds en doelloos;
Vergeef het mij, dat ik niet wijzer ben.
ADAM
Verlang ook niet, geliefde, dit te zijn.
Verstand vind ik in eigen hoofd genoeg;
Ik zoek geen kracht waar k aan uw borst mij vlij,
En kennis evenmin, die k uit mijn boeken
Veel beter putten kan. Neen, spreek slechts, spreek,
Laat ik uw stem vernemen, en haar toon
Mijn ziel tot in het diepste diep bewegen.
Wat gij ook zegt, om t even; o wie vraagt
Den kleinen vogel wát hij zingt; verzonken
In zoete droomen, hooren wij zijn lied.
Wees wat de bloem ons is, een lieflijk speelgoed,
Onnut maar schoon, en in haar schoon verdienstlijk.
(tot Lucifer)
En toch, éen wensch verstoort mijn zoeten roes,
Misschien een vreemde wensch - maar, o vervul dien -
Laat me in de toekomst zien met stouten blik,
En weten wat na een paar duizend jaren
Zal zijn geworden van mijn naam en roem.
LUCIFER
Voelt ge onder t koozen niet het zachte koeltje,
Dat u de wangen streelt en dan vervliegt?
t Laat bij zijn vlucht een nietig stofje na;
Dit stofje is na een jaar geen streep nog dik,
Maar na een eeuw, dan is t een voet al hoog,
En na een reeks van eeuwen, dan begraaft het
Uw pyramide en glorie in een zandhoop.
De schakal huilt dan in uw lustwaranden,
Een beedlend slavenvolk bouwt er zijn tenten.
(Alles wat Lucifer zegt, moet ook zichtbaar worden).
En al dit deed de woeste starmwind niet,
Het trillen niet van de aard, slechts t z,wakke koeltje,
Dat minnekoozend langs u henen gaat.
ADAM
Verschriklijk beeld!
LUCIFER (hoonend)
Vrees niet, uw geest slechts sterft.
Uw lichaam blijft als mummie voortbestaan,
Nieuwsgierig ziet de schoolknaap daarop neer,
Maar de uitgewischte trekken zwijgen stil.
t Blijft ongewis of heer of knecht ze was.
(Hij schopt met den voet naar een mummie, die inmiddels voor den troon is verrezen, en langzaam de trappen ervan naar beneden rolt).
ADAM (achteruit springende)
Drogbeeld der hel, wijk van mij, weg met u!
O ijdel streven, o belachlijke eerzucht -
Nog klinkt in de ooren mij dat vreeslijk woord:
Millioenen voor éen enkle. Deez Millioenen
Wil ik thans rechten in den vrijen staat
Verschaffen - in geen andren gelden zij.
t Bijzondre ga in de algemeenheid op,
Die uit al de enklen saam een groot geheel maakt.
EVA
En mij wilt gij verlaten, uw geliefde -
ADAM
Ja, u, mijn troon, mijn rijk wil ik verlaten. -
Leid, Lucifer, leid mij op nieuwe banen;
Veel kostbren tijd verloor ik reeds op t dwaalspoor.
(Hij zet zich met getrokken zwaard in beiveging).
EVA
O koning, keert gij met gestrande hoop
Eens hier terug, hier vindt uw hart een wijkplaats.
ADAM
Ja, ja, mijn voorgevoel zegt mij, dat ik
Ook u gelouterd eens terug zal vinden,
Waar gij mij niet meer op bevel omarmt,
Maar als gelijke - uit eigen liefdesdrang.
(af)
LUCIFER
Haast u zoo niet, gij komt te rechter tijd,
Misschien te vroeg, aan t doel waarmee ge u vleit,
En weenen zult gij, wordt gij t eind gewaar, -
Terwijl ik om u lach. Vooruit dan maar!