ZESDE TOONEEL

(In Rome. Open hal met beelden der Goden en pronkvaten waarin reukwerk brandt. Uitzicht op de Apenijnen. In het midden een gedekte tafel met drie rustbedden er om heen. Adam als Sergiolus, Lucifer als Milo, Catulus, allen echte wellustelingen; Eva als Julia, Hippia en Cluvia, lichtekooien in ontuchtige kleeding, aan het zwelgen. Op een tribune strijden Gladiatoren; slaven staan, bevelen wachtend, in ’t rond; fluitmuziek, schemerlicht, late nacht).

CATULUS
Sergiolus, kijk hoe gespierd en lenig
Die Gladiator met het roode lint is.
’k Durf wedden, dat hij ’t van dien andren wint.

ADAM
Dat niet, bij Hercules!

CATULUS
Bah, „Hercules!”
Wie onder ons gelooft er nog aan Goden?
Zweer ’t ons bij Julia, dat geloof ik meer.

ADAM
Wel nu, zoo zij ’t.

LUCIFER
Gij zweert op hechten grondslag:
Een valsche Godheid zet ge in plaats der andre.
Maar zeg, opdat wij goed uw eed verstaan:
Zweert gij bij hare schoonheid, bij uw liefde,
Of mooglijk bij de trouw van uwe deerne?

CATULUS
De schoonheid is verganklijk, en al ware
Zij ’t niet, toch zou ons morgen reeds vervelen
Wie heden nog ons meesleept, en ook zelfs
Een minder schoone vrouw lokt van haar weg,
Den tooverprikkel van de nieuwheid rijk.

ADAM
Ik zweer bij hare trouw. Of wie verkwistte
Meer goud voor haar vermaak dan ik?

HIPPIA
      Gij dwaas!
Kunt gij haar zonder einde dan omarmen?
En kunt gij ’t, gij, die onverzadigbaar
Zelf naar genot streeft, die nu hier dan daar zwerft,
Wijl toch bij de enkle vrouw ge ook maar een enkel
Brokstuk van lust vindt, en u ’t ideaal
Van zingenot en schoonheid onbereikbaar
Gelijk een tooverbeeld voor oogen zweeft,
Hoe weet gij, of niet eveneens een luim,
Een droombeeld haar van u ook weg zal lokken?
Eens Gladiators stukgeslagen spieren......

ADAM (haar in de rede vallend)
Waar, waar, helaas! Niet verder, Hippia!
O waarom ook trekt zingenot ons aan,
Gelijk aan Tantalus de zoete vruchten,
Waar ons de kracht van Hercules ontbreekt,
En wij als Proteus niet verandren kunnen?
Waarom geniet vaak een gekochte slaaf,
Na zwaar doorzwoegde week, een uur van weelde,
Waarnaar zijn meester vruchteloos verlangt!
Of is de wellust den versmachtenden
Alleen een onvoldoende waterdronk,
En dood voor hem, die in zijn golven stort?

LUCIFER
Wat loffelijke cursus in moraal,
Gehouden aan de borst van schoone deernen,
Bij rijkbekranste bekers! - Maar waarover
Loopt dus de weddenschap?

ADAM
      Zoo ik verlies,
Sta ik u Julia af.

CATULUS
      En zoo gij wint?

ADAM
Behoort uw paard mij.

CATULUS
      In vier weken kunt gij
Haar, als ge dat verlangt, weer overnemen,
Of anders mag zij voor de haaien zijn.

LUCIFER (spottend)
Kijk, Julia, wat een mooie, vette visch,
Eet hem, dra eten andren weer u zelf.

EVA
Alsof niet ook aan u de wurm eens smulde!
Verheuge zich, wie leeft; en wie niet weet
Zich te verheugen, nu, die lache in spot.
(Zij drinkt).

ADAM (tot den Gladiator)
Kom, houd u goed! -

CATULUS
Er maar op los, en dapper!
(De Gladiator van Catulus valt, en steekt, om zijn leven smeekend, de vingers omhoog. Adam wil het teeken van genade geven, maar Catulus drukt zijn hand neer, en steekt, de vuist ballend, zijn duim tegen den Gladiator uit).
Recipe ferrum! - Sterf, gij vuige bastaard!
’k Heb slaven nog genoeg, daarmee behoef ik
Net zuinig om te gaan. Wie, schoone vrouwen,
Zou u de kleine prikkling van dit schouwspel
Ook wel ontzeggen, zoo ’t nog des te zoeter
Uw kussen maakt en vuriger uw driften,
Wanneer maar eerst een weinig bloed gevloeid is!
(Inmiddels is de Gladiator door zijn tegenstander omgebracht).

ADAM
Ik heb het paard. Kom, Julia, omarm mij.
Weg met dat lijk! - He, danseressen hier!
Speelt ons komedie thans, voor heden hebben
Wij hier genoeg van.
(De gevallene wordt weggedragen, danseressen neme de tribune in).

CATULUS
      Cluvia, dit ’s uw plaats.
Kom dichter tot mij, ’k kan het niet langer aanzien,
Waar die elkaar omarmen.

LUCIFER
      En wij, Hippia,
Zeg, zullen wij niet ook dit voorbeeld volgen?
Maar lik uw lippen of geen gift er op is.
Zoo duifje, zie, nu kunnen wij genieten.

ADAM
Hoe klopt uw hart zoo hevig, Julia?
Het slaat zoo luid, ik kan er met aan rusten.
(Zij fluisteren).

LUCIFER
Hoort gij dien dwaas nog spreken van een hart?

CATULUS
Zie liefste, ik taal naar het uwe niet,
Doe wat gij wilt er mee, mits ik ’t niet wete,
En mits uw kus maar heet, uw gunst mijn deel blijft.

CLUVIA
Grootmoedig minnaar, deze is op uw welzijn!
(Zij leegt een beker).

CATULUS
Goed, goed zoo, Cluvia; maar onttrek mij niet
Uw zachten arm, uw vollen, weeken boezem;
Zie, ook mijn krans is van mijn hoofd gegleden. -
(Tot de danseressen)
Ah, kunstig is die wending in uw dans;
Wat onkuisch vuur, met gratie toch gepaard!

CLUVIA
Ik houd u de oogen dicht, wanneer gij dat
Daar vindt, waarnaar ook ik wedijvrend streef,
En geen goed woordje zelfs er mee verdien.
(Op Lucifer wijzend)
Zie liever eens dat zuur gezicht daar ginds!
Wat doet hij met dat schoone meisje toch,
Wanneer hij niet ze beter zich ten nutte
Te maken weet, dan dat hij haar laat slapen,
Terwijl hij met een hoonlach, koud van blik,
Al de ijdle maar toch zoete spelen volgt,
Die aan het onderhoud zijn geur verleenen?

CATULUS
Voorwaar, zulk een gezicht verstoort bevriezend
De poëzie van deez’ geheelen kring.
Die der bekoring van ’t moment weerstaat,
En niet zijn ziele daardoor mee laat sleepen,
Die is geen rechte mensch, hij blijf’ maar thuis.

HIPPIA
Ik vrees bijna, hij voelt den zwarten dood,
Die onze stad verwoest, al in zich woelen.

ADAM
Weg met die sombre beelden, weg er mee!
Een lustig lied is wat wij moeten hebben,
Wie kan het schoonste ons hier ten beste geven?

HIPPIA (zingt)
Van de liefde en van den wijn
Moet men nooit verzadigd zijn;
Iedre beker, dien wij leegen,
Brengt ons nieuwe geuren tegen.
En de roes, de zoete roes
Als het licht, dat valt in graven,
Zoo verguldt die onze wegen.
Van de liefde en van den wijn
Moet men nooit verzadigd zijn;
Hoeveel meisjes wij ook kusten,
Iedre wekt weer nieuwe lusten.
En de roes, de zoete roes,
Als het licht dat valt in graven,
Doet in zoeten droom ons rusten.

CATULUS
Mooi zoo; nu Cluvia, kunt gij ook iets zingen?

CLUVIA (zingt)
Dwaas was de wereid in vroegere tijden,
Lucretia zocht niet op ’t weduwlijk leger,
Toen een vorstelijk minnaar zijn liefde haar bood,
Met vlammende lippen naar meerderen wellust;
Niet de pijlen der min doorgloeiden haar boezem,
Ze stiet zich het ijskoude staal in de borst.

ALLEN (zingen)
Laat ons verblijd zijn, de wereld werd wijzer,
Laat ons verblijd zijn, dat wij nu leven!

CLUVIA (zingt)
Dwaas was de wereld in vroegere tijden,
Brutus bleef niet op zijn lieflijke villa,
’t Zwaard greep hin aan, en trok daarmee ten strijde
Als gemeen soldenier, eni tot wat voor een doeleind? -
Voor ’t welzijn waarachtig van ’t haavloos gepeupel,
En op naakten bodem ook is hij gestorven.

ALLEN (zingen)
Laat ons verblijd zijn, de wereld werd wijzer,
Laat ons verblijd zijn, dat wij nu leven!

CLUVIA (zingt)
Dwaas was de wereld in vroegere tijden,
Een spook ging er om in de hersens der vaadren,
Zij beschouwden als heilig waarom wij nu schaatren;
En zoo een paar dwazen er soms nog bij bleven,
In den Circus, daar komen zij heerlijk te stade,
Ons tot een schouwspel, den dieren tot spijze.

ALLEN (zingen)
Laat ons verblijd zijn, de wereld werd wijzer,
Laat ons verblijd zijn, dat wij nu leven!

LUCIFER
O Cluvia, gij hebt Hippia overtroffen.
Ik zou de dichter van dit lied graag wezen.

ADAM
En gij zingt niet, wat treurt gij, Julia?
Rondom ons is toch alles vreugde en glimlach.
Valt u de rust aan deze borst niet zoet?

EVA
O zoet voorwaar! Maar zie Sergiolus,
Mij stemt de hoogste zaligheid tot ernst,
En luide vreugd schijnt mij geen ware vreugd.
In ’t lachendste oogenblik mengt zich een druppel
Van onuitspreeklijk leed, misschien opdat
Wij zouden voelen hoe dit oogenblik
- Een bloeme is, en ook als een bloem zal heengaan.

ADAM
O, de eigen aandoening doortrilt ook mij.

EVA
En als ik dan muziek en zang verneem,
Hoor ’k niet der woorden eng begrensden zin,
’k Wieg op der tonen vloed me als in een boot,
En ’t is mij of ik nederlig in droomen.
De bevend zachte akkoorden zijn als vleugels,
Die mij wegdragen naar het ver verleden,
Daarheen waar palmen staan in ’t zonnelicht,
Waar ik onschuldig was en speelde als kind,
Waar groot en edel mijner ziele drang was. -
Vergeef mij, ach, dit alles is maar droombeeld,
Thans kan ik u weer kussen - ik ontwaak.

ADAM
Weg met muziek en dans! Er grijpt een walging
Mij aan voor al dat weeklijk zoet genot.
Naar bitterheid verlangt geheel mijn ziel.
Gal in nijn wijn! op lokkend roode lippen
Een bijenangel! op mijn hoofd ’t verderf!
(De dansenden verwijderen zich, buiten hoort men weegeklag).
Wat jammerkreet! hij dringt me in merg en been!

LUCIFER
Er worden een paar dwazen thans gekruisigd,
Die van goed recht en naastenliefde droomden.

CATULUS
Dat komt hun toe, wat bleven ze ruet thuis,
Genietend en vergetend heel de wereld!
Wat mengden zij in andrer zaken zich.

LUCIFER
De beedlaar wil graag ’s rijken naaste zijn;
Maak arm den rijkaard, en hij kruisigt u.

CATULUS
Laat ons dan lachen om ellende, pest,
Geweld en wat deez’ stad meer teistren mag, -
Om alles wat de wil der Goden is!
(Nieuw weegeklag).

ADAM (in zich zelf)
En ’t is mij of ik nederlig in droomen.
De bevend zachte akkoorden zijn als vleugels
Die mij wegdragen naar het ver verleden,
Waar groot en edel mijner ziele drang was. -
Nietwaar, zoó spraakt gij, Julia?

EVA
      Ja, geliefde.
(Het is inmiddels donker geworden. Voor de hal trekt een lijkstoet voorbij met tuba’s, fakkels en weeklagende vrouwen. Het geheele gezelschap blijft een tijdlang in zwijgen verzonken).

LUCIFER (luid lachend)
Mij dunkt, de goede luim is hier verstoord.
Is er geen wijn meer, of verdroogde uw scherts,
Dat zelfs mij, zuur gezicht, de kou om ’t hart slaat?
Is onder ons misschien er een bevreesd, -
Of wel bekeerd?

ADAM (gooit zijn beker naar hem)
      Sterf als glj dat gelooft.

LUCIFER
Ik zal een nieuwen gast voor u gaan nooden.
Misschien dat hij uw goede luim verjongt.
He dienaars, brengt gezwind dien snaak hierheen,
Die daar bij fakkelschijn de reis aanvaardt.
Laat ons hem eerst een beker drinkens bieden! -
(De doode in zijn open kist wordt naar binnen gedragen, en op de tafel geplaatst. Het gevolg blijft op den achtergrond; Lucifer drinkt hem toe).
Drink, kameraad, gij heden, morgen ik!

HIPPIA
Misschien behaagt een kus u meer.

LUCIFER
      Omarm hem;
En van zijn lippen steel den obolus.

HIPPIA
Kon ik u kussen, waarom niet ook hem?
(Zij kust den doode. De apostel Petrus treedt uit het gevolg naar voren).

PETRUS
Houd op, onzaalge; ’t pestgift zuigt gij in.
(Allen springen ontsteld van hun plaatsen op en wijken van Hippia terug).

ALLEN
Het pestgift - schriklijk - ijlings weg van hier!

PETRUS
O gij nietswaardigen, gij laag geslacht
Zoolang ’t geluk u lacht, zijt ge overmoedig,
Gelijk de vlieg is in het zonnelicht,
En schaamteloos vertreedt gij deugd en godsdienst.
Maar als ’t verderf dan aanklopt aan uw deur,
En u opnieuw Gods almacht zichtbaar wordt,
Dan sluit ge uw oogen bang, en gaat vertwijflen.
Voelt gij niet, dat des hemels trage straf
Nu in haar volle zwaarte op u terneerdaalt?
Ziet om u heen, vervallen is uw stad,
Een ruw, vreemd volk vertreedt uw gulden akkers,
Verslapt is alle tucht, niemand beveelt,
Niemand gehoorzaamt meer. Diefstal en moord
Doen met omhooggeheven hoofd de ronde
Door uwe woningen, de bleeke zorg
Volgt op hun schreden, met den schrik zich parend,
En aard noch hemel biedt u troost of hulp.
Wat baat het u, dat ge in den roes der lusten
De stem zoekt te verdooven, die in ’t diepst
Uws harten zich laat hooren, en u vruchtloos
Tot streven aanspoort naar een beter doel?
Neen, geen bevrediging is in uw hart,
Slechts afschuw wekt de wellust daarin op,
En angstig om u heenziend, stamelt gij:
’t Is alles toch vergeefsch! - Aan de oude Goden
Gelooft gij niet, ze zijn slechts steen geworden.
(De Godenbeelden vallen uiteen).
Tot stof vergaan zij, en een nieuwen God,
Die uit het stof u opheft, vindt gij niet.
Ziet slechts in ’t rond, wie is er machtiger
In uw vervallen steden dan de pest?
Van ’t weeke rustbed vloden duizenden,
Door angst gefolterd, naar de woestenij
Van de Thebais als Anachoreten,
Daar voor hun kwijnend, afgestompd gevoel
Een nieuwen prikkel zoekend, die ’t opnieuw
Bezielen kon. Verbasterd ras, gij zult
Verdwijnen van het oppervlak der aard,
Die nu gereinigd en gelouterd wordt!

HIPPIA (Voor de tafel in elkaar zinkend)
O wee mij, hoe verschriklijk is mijn lijden.
’k Voel ’t koude zweet, dan weer een brandend vuur.
De pest, wee mij, de pest, ik ben verloren!
En niemand, niemand onder u verpleegt mij,
Gij, die zooveel genot met mij gedeeld hebt.

LUCIFER
Gij heden, morgen ik, mijn zoete kind.

HIPPIA
Zoo dood mij, anders treffe uw hoofd mijn vloek.

PETRUS (op haar toetredend)
Mijn dochter, vloek niet, schenk veeleer vergeving,
ik zal u helpen, ik en onze God,
Der heilge hefde machtig eeuwig God,
Verhef uw hart tot hem, zie, met dit water
Wasch ik uw ziele rein, van smetten vrij,
En ze ijlt tot hem.
(Hij doopt haar uit een der op tafel staande schalen).

HIPPIA
      Mijn vader - ’k voel verlichting.
(Zij sterft).

CATULUS
Nog heden reis ik af naar de Thebais.
Mij walgt van deze zondenvolle wereld.

CLUVIA
Catulus, halt! ook ik zal u verzellen.
(Zij gaan).
(In gedachten verzonken, treedt Adam naar voren, Eva volgt).

ADAM (haar bemerkend)
Gij toeft nog, Julia spreek, wat zoekt gij hier?
Hier waar de dood de vreugde heeft vermoord.

EVA
En is mijn plaats dan daar niet, waar gij zijt?
Sergiolus, ach, hoeveel rein gevoel
Zoudt gij gevonden hebben in deez boezem,
Waar gij nu enkel korten wellust zocht.

ADAM
En in mij zelf ook. Wee mij, dat zoo ’t is!
Te moeten ondergaan, klein en armzalig,
En tot die ure slaat te moeten lijden!
(Hij knielt neer en heft de handen naar den hemel op).
O, zoo een God leeft, zoo hij aan ons denkt,
En macht heeft over ons, dat op deez aarde
Hij nieuwe volken, nieuwe ideeën brenge!
Met beter bloed laat deze vreernde volken
Dan de aders vullen van dit bastaardras;
Den eedlen geest ontsluite een ruime kring
Tot hooger streven zich in die gedachten.
’t Is alles opgebruikt wat wij bezaten,
En ’k voel: wij zijn te zwak tot nieuwe schepping.
God, zoo gij zijt en hoort, verhoor mij dan!
(In hemelsche glorie verschijnt het kruis. Achter de bergen ziet men het rood der brandende steden. Van de toppen dalen horden barbaren neer. In de verte hoort men een godsdienstige hymne).

LUCIFER (ter zijde)
Bijkans zou dit visioen ook mij doen beven;
Maar is de zware strijd mijn roeping niet?
De menschen doen, waar ik te kort voor schiet;
Die grap te zien, werd mij reeds vaak gegeven.
Wanneer de glorie langzaam is vergaan,
Blijft slechts het bloedig roode kruis nog staan.

PETRUS
De Heer verhoorde uw bee. Zie om u heen,
Uit de aard, hoe afgemat, ontspruit nieuw leven.
De in beerenhuid gehulde dappre zonen
Van de barbaren, die den vuurbrand werpen
In al uw stedenpracht, terwijl hun paard
De zaden van het eeuwenoud verleden
Vertrapt, tot stallen uw verlaten tempels
Gebruikt, zij gieten ’t frissche levensbloed
Der kracht in uw verschrompelde aders uit.
En zij, die in den Circus hymnen zingen,
Terwijl de woeste tijgers in hun boezem
De klauwen zetten, dragen nieuwe ideeën
In hun verscheurde borst: de naastenliefde,
En ’t geldend maken der persoonlijkheid,
Elk dezer wordt een hefboom van het menschdom.

ADAM
Ja, ’k voel, ik voel, iets anders zoekt de ziel
Dan traag op weeke kussens te genieten;
Wat wellust haalt er ooit bij dat gevoel,
Als ’t hartebloed wegvloeit voor edel doel?

PETRUS
Laat dit uw doel zijn: God verheerlijken
In al uw werken. Iedereen zij vrij,
Al wat er in hem leeft ook te doen gelden,
Door éen gebod gebonden slechts: de liefde.

ADAM
Op om te strijden, geestdrift te verwekken
Voor ’t nieuw geloof! een jeugdige aard te scheppen,
Wier bloem de ridderlijke deugd zal zijn,
Wier poëzie ’t geprezen ideaal
Der vrouwelijkheid is, aan de zij van ’t altaar.
(Hij verwijdert zich, op Petrus leunend).

LUCIFER
Voor wat onmooglijk is bezielt ge u weer,
Maar dat strekt mannen immers juist tot eer.
Het streelt God, wijl ’t u naar den hemel drijft, -
En Satan ook, wijl toch vertwijfling ’t eind blijft.
(Volgt hem na).


VisszaKezdõlapElõre