(Het tooneel verandert snel in het Greveplein te Parijs, het terras in een stellage, de schrijftafel in een valbijl, waarbij Lucifer, thans als beul, staat. Adam als Danton houdt van den rand van t schavot een toespraak tot de woelige volksmenigte. - Onder trommelslag verschijnt een bende havelooze recruten, en schaart zich om de stellage. Het is heldere dag).
ADAM (voortgaande)
Gelijkheid, vrijheid dus en broederschap!
VOLKSMENIGTE
Hij sterve, die ze niet erkennen wil!
ADAM
Zoo spreek ook ik. - Er zijn twee kreten slechts,
Die ons van alle kanten aangevallen
Grootsch denkbeeld kunnen redden. Tot de goeden,
Die zorgloos slapen, zeggen wij dit éene:
Ons land is in gevaar, - en zij ontwaken.
Den slechten dondren wij dien andren kreet,
Het woord toe: siddert, - en zij zinken weg.
Een vorstenbond verhief zich tegen ons,
Wij wierpen t hoofd van onzen vorst hun tegen;
Een priesterbond verhief zich, wij ontwrongen
De macht aan hunne hand door weer ten troon
Het lang vervolgd verstand terug te voeren.
Maar ongehoord sterft ook dat andre woord,
Waarmee het vaderland de goeden aanspreekt,
Niet weg. Elf legers strijden aan de grens,
En onophoudlijk meldt de dappre jeugd zich,
Om der gevallen helden plaats te vullen. -
Wie zegt, dat deze op bloed beluste waanzin
t Verblinde volk nog decimeeren zal?
Wanneer t metaal gloeit, vallen ook de slakken,
Maar t edelst deel blijft in zijn reinheid over.
En zoo wij ook bloedgierig zijn, men moge
Als wreede wangedrochten ons beschouwen,
Wanneer het vaderland maar groot en vrij is.
RECRUTEN
Geef ons slechts wapens, aanvoerders en wapens!
ADAM
Braaf, braaf! Naar wapens slechts hebt gij verlangd,
Terwijl gij toch nog aan zooveel gebrek lijdt;
Gerafeld is uw kleed, uw voet derft schoeisel,
Maar met de bajonet verschaft ge u alles.
Want overwinnen zult gij. Onverwinbaar
Is zulk een volk. Zooeven werd het bloed
Des generaals vergoten die, aan t hoofd
Van onze wakkre troepen staande, onwaardig
Zich liet verslaan.
VOLKSMENIGTE
O, hij was een verrader!
ADAM
t Is goed gezegd! Geen andre schatten immers
Bezit het volk als t bloed, dat zoo vol geestdrift
t Verkwistend offert voor zijn vaderland.
En die geen wereld zich verovren kan,
Beschikkend over zullk een heilgen volksschat,
Is een verrader.
(Een officier treedt uit de schaar der recruten naar voren).
OFFICIER
Stel mij op zijn plaats;
Zijn smaad zij door mijn degen uitgewischt!
ADAM
Mijn vriend, dit zelfvertrouwen eert u, maar
De zekerheid, dat gij uw woord gestand doet,
Moet gij ons op het slagveld eerst verschaffen.
OFFICIER
De waarborg daarvoor woont hier in mijn borst;
Ook ik heb nog een hoofd in pand te geven,
Dat wellicht beter is dan t hoofd des dooden.
ADAM
En wie borgt mij dit pand, wanneer ik t opeisch?
OFFICIER
Behoeft ge een beetren waarborg dan mij zelf,
Die t leven als een nietigheid beschouw?
ADAM (een winig spottend)
Mijn vriend, zoo schat de jeugd het leven niet.
OFFICIER
Nog eenmaal, burger, laat mij u bezweren.
ADAM
Geduld maar, eens wordt wis uw wensch vervuld.
OFFICIER
Gij schenkt mij, zie ik, geen vertrouwen; leer dan
Een beetre meening van mij hebben, burger.
(Hij schiet zich voor t hoofd).
ADAM
t Is jammer van u;.door des vijands kogel
Hadt gij verdiend een schooner dood te sterven.
(tot de recruten)
Brengt hem van hier, mijn vrienden, en - tot weerzien
Na de overwinning!
(De recrutenschaar trekt af).
Kon k uw lot maar deelen!
Doch mij is enkel strijd, geen roem bestemd;
Geen vij and, waar het eer is door te vallen,
Maar een, die in t verborgen schuilgaat, loert
Vol list op mij en t heilig vaderland.
VOLKSMENIGTE
Met vingers wijs op hem, en hij zal sterven!
ADAM
Die ik aanwijzen kan, zijn reeds gestorven.
VOLKSMENIGTE
Dan de verdachten - Zeker, wie verdacht is,
Die is ook schuldig; als zoodanig brandmerkt
De volksstem hem, die nooit nog heeft gefaald.
Dood, dood aan alles, wat aristocraat is!
Op naar de kerkers, op om recht te doen,
Het heilig recht des volks!
(De menigte zet zich in beweging naar de kerkers).
ADAM
Niet daar is het gevaar; sterk zijn de grendels,
En de bedorven lucht, die geest en spieren
Vermoordt, verbindt zich ook daarmee; laat dezen!
t Verraad hoonlacht met opgeheven hoofd;
t Scherpt op de banken van t Convent den dolk.
VOLKSMENIGTE
Dan naar t Convent heen! Ja, het werd nog niet
Genoeg gezift.
ANDEREN
Neen, later, later pas
Heen naar t Convent, eerst in de kerkers ons
Geoefend! Moge Danton in dien tijd
Een lijst van al de namen der verraders
Opmaken.
(De menigte trekt met bedreigingen af. Intusschen sleepen eenige sans-culotten een jongen markies en Eva, als diens zuster, voor de stellage).
EEN SANS-CULOTTE
Burger, zie, wij brengen u
Opnieuw twee ingebeelde aristocraten.
Het trotsch gelaat, de fijne, witte wasch
Bewijzen zonneklaar hun beider schuld.
ADAM (ter zij de)
Welk edel paar!
(luid)
Komt tot mij, jongelieden.
SANS-CULOTTE
Wij zullen haastig onze makkers volgen,
Waar werk ons wacht, en dood aan de verraders.
(De sans-culotten verwijderen zich met de overige volksmenigte, de aristocraten beklimmen de stellage. Om het schavot heen blijven slechts eenige wachten).
ADAM
k Weet niet, wat sympathie mij tot u trekt,
Maar redden wil k u, koste t ook mijn leven.
MARKIES
Niet aldus, Danton; zoo wij schuldig zijn,
Verraadt gij t vaderland, als ge ons niet oordeelt.
En zijn mj t niet, wat praalt gij van genade?
ADAM
Wie zijt gij, die zoo spreken durft tot Danton?
MARKIES
Ik ben Markies
ADAM
Houd op, of weet gij niet
Dat buiten burger hier geen titel geldt?
MARKIES
Ik hoorde niet, dat mijn monarch de titels
Heeft afgeschaft.
ADAM
Rampzaalge, ga niet voort! -
Sluit u bij de onzen aan; daar wacht u t leven.
MARKIES
Mijn koning, burger, heeft mij niet vergund,
Dat ik in vreemde diensten treden zou.
ADAM
Dan moet gij sterven.
MARKIES
k Ben ook de eerste niet
Uit mijn geslacht, die voor den koning sterft.
ADAM
Waarom stormt gij zoo doldriest in den dood?
MARKIES
Komt soms aan u, gij mannen van het volk,
Alleen dat eedle voorrecht van den moed toe?
ADAM
Gij biedt mij trots? Goed, dan zal ik het ook doen,
Wie zal de sterkste zijn? Ik red uw leven
Ook tegen uwen wil, en eenmaal brengt
Me een beetre toekomst, van partijhaat vrij,
Een reinere eeuw, den dank voor deze daad.
Geleidt hem, Garden, veilig naar mijn woning,
Gij staat met uwe hoofden voor hem borg.
(Eenige gewapende nationale garden voeren den Markies mee).
EVA
Wees sterk, mijn broeder.
MARKIES
Zuster, God behoede u!
(af).
EVA (tot Adam)
Tref ook dit hoofd. Werp t bij Madame Roland.
ADAM
Zoo zachte lippen, en zoo hard een taal!
EVA
Er voegt geen zachter taal bij t moordschavot.
ADAM
Dit schriklijk spreekgestoelte, t is mijn wereld. -
Doch toen uw voet t besteeg, daalde een stuk hemel
Daarop terneer, en nu omsluit die ons.
EVA
Spot niet met mij, de priester ook spot niet
Met t offerdier, dat hij naar t outer voert.
ADAM
Het offer, o geloof mij, ben ik zelf.
En ziet men met benijding ook mijn macht,
Vreugdloos, het leven en den dood verachtend,
Beschouw ik dit met bloed gekleurd gestoelte
Waarvan naast mij de hoofden daaglijks vallen,
En wacht, wanneer aan mij de beurt zal zijn;
Bij al dit bloed kwelt mij mijn eenzaamheid
En t droef besef, hoe ook ik kon beminnen.
O vrouw, wil me in die hemelwetenschap
Eén dag, éen enklen dag slechts onderwijzen,
En s andren daags reeds wil ik voor den bijl
Mijn hoofd gelaten buigen.
EVA
In deez wereld
Van gruwlen durft uw hart naar liefde nog
Verlangen? doet t geweten u niet beven?
ADAM
t Geweten is een voorrecht slechts van t Plebs.
Wie echter uitverkoren werd door t lot,
Die heeft den tijd niet, om terug te zien.
Zaagt ge ooit den storm halt maken in zijn vaart,
Wijl op zijn pad een teedre roos zich kromde?
Wie is er zoo vermetel, dat hij hen,
Die gansch een staat besturen, rechten durft?
Wie ziet den draad, waaraan een Catilina,
Een Brutus in het marionettenspel
Der wereld wordt geleid? Of waant gij soms
Dat hij, van wien de faam spreekt, plotsling ophoudt
Een mensch te zijn, en in zoo bovenaardsch
Een wezen wordt veranderd, dat hij neerziet
Op al de kleinere beslommeringen,
Op de alledaagsche zorgen van het leven,
En die nooit deelt. Ach neen, geloof dat niet.
Het hart bloedt ook, waar men op tronen zit,
En Caesar, zoo hij een geliefde had,
Was mogelijk niet anders haar bekend
Dan als een goede jongen, waar zij nooit
Van dacht, dat heel een wereld voor hem beefde.
En is dit zoo, spreek, wat bemint ge mij niet,
Zijt gij geen vrouw, en ik geen rechte man?
Men zegt, het hart moet haten of beminnen,
Al naar t voor haat of liefde werd geschapen.
Ik voel: dit hart, het is verwant aan t uwe;
En gij, o vrouw, gij zoudt het niet verstaan?
EVA
En zoo ik t deed, wat zou het dan nog baten?
U leidt een andre Godheid dan de God,
Die in mijn harte troont. Wij kunnen nimmer
Elkaar verstaan.
ADAM
Geef deez verouderde
Gedachten op, breng aan verbannen Goden
Geen offers meer; der vrouw past slechts éen altaar,
Dat eeuwig jong blijft - en dit is het hart.
EVA
Ook een verlaten altaar kan zijn martlaars
Bezitten. O Danton, het staat veel hooger,
Met piëteit ruines te bewaren,
Dan neer te buigen voor een opgaand licht;
En past deez roeping aan de vrouw niet best?
ADAM
Nog zag geen mensch mij ooit naar liefde smachten,
En wie het thans ziet, t zij dan vriend of vijand,
Dat hij, dien t lot bestemd heeft om als storm
Door t zwoele luchtruim varend de aard te zuivren,
Hier neerstrijkt op het moordschavot, om daar
Een teedre jonkvrouw, in wier smeltende oogen
Een traan des hemels schittert, te beminnen,
Hij zou voorspellen: Dantons einde nadert,
Zou met hem spotten, en hem nooit meer vreezen;
En toch, toch smeek ik om éen straal van hoop.
EVA
Wanneer aan gene zijde van het graf -
Zich uw tot rust gekomen geest ontdaan heeft
Van t bloedig stof des tijds, waarin gij leefdet,
Misschien
ADAM
Niet verder, ach, niet verder spreek,
Ik hecht niet aan een wereld na deez wereld,
En hooploos strijd ik tegen t eeuwig noodlot.
(De volksmenigte keert met bloedige wapens, op pieken eenige afgehakte hoof den meevoerend, woest terug. Eenigen klimmen op het schavot).
VOLKSMENIGTE
Wij hebben recht gedaan. - Welk trotsch geslacht!
EEN SANS-CULOTTE (aan Danton een ring gevend)
Dien ring leg k op t altaar van t vaderland.
Een schurk heeft mij dien in de hand gedrukt,
Toen hij zijn hals bedreigd zag door mijn mes.
t Gespuis denkt zeker, dat wij roovers zijn.
(Eva bemerkend).
Wat leeft gij nog? deel t lot van uw gebroed!
(Hij stoot Eva neer, die aan den achterkant van t schavot neervalt).
ADAM (zijn oogen bedekkend)
Wee, voor u is reeds alles uit! - O fatum,
Wie strijdt met u! -
VOLKSMENIGTE
Thans naar t Convent heen! Medeburger, leid ons!
Hebt gij de lijst der hoogverraders niet?
(Het volk verlaat het schavot. Eva, thans als in lompen gehulde, opgewonden vrouw uit het volk herleefd, dringt naar voren, en stormt op Danton los, in de eene hand een
dolk, in de andere een bloedig hoofd).
EVA
Danton, zie t hoofd van dezen zamenzweerder,
Hij wilde u dooden, toen vermoordde ik hem.
ADAM
Zoo deez mijn plaats hij beter had vervuld,
Deedt gij verkeerd; zoo niet, uw daad was goed.
EVA
Mijn daad is goed, en k vorder mijn belooning.
Breng, groote man, éen nacht slechts met mij door.
ADAM
Wat liefde kan er zijn in zulk een borst?
Wat zacht gevoel in t hart der tijgerin?
EVA
Voorwaar, het schijnt mij, burger, ook gij tradt
Bij t blauw aristocratenbloed in dienst,
Of in een koortsgloed spreekt gij zoo romantisch.
Gij zijt een man, ik ben een vrouw en jong,
Bewondring trekt mij tot u, groote mensch.
ADAM (ter zijde)
Een rilling grijpt mij aan, k wend de oogen af,
Dit gruwlijk drogbeeld kan ik niet verdragen.
Wat wondere gelijkenis! - Wie eens
Den engel kende, en hem dan terugzag
Nadat hij was gevallen, die aanschouwde
Iets dergelijks misschien. Gestalte, spraak,
Haar, trekken, alles, alles vind ik weer,
Een kleine nietigheid slechts, die men nauw
Omschrijven kan, ontbreekt, en toch, hoe gansch
Veranderd is daardoor geheel haar wezen!
Kon k gene niet bezitten om haar deugd,
Van deze walg ik om den reuk der hel.
EVA
Wat spreekt gij in u zelf nog?
ADAM
Ik bereken,
O vrouw, dat ik niet zooveel nachten heb,
Als er verraders zijn van t vaderland.
VOLKSMENIGTE
Dan naar t Convent heen! noem hun namen slechts!
(Inmiddels komen Robespierre, Saint-Just en andere leden van het Convent, en bestijgen een snel geimproviseerde stellage).
SAINT-JUST (hoonend).
Moet hij ze noemen, hij, hun medestander!
(Het volk mort).
ADAM
Waagt gij mij aan te klagen? weet gij niet,
Hoe sterk ik ben?
SAINT-JUST
Dat zijt gij eens geweest;
Groot was uw macht bij t volk. Doch t volk is wijs,
Het leerde uw doen doorgronden, t keurt vol geestdrift
Daarom t besluit goed, door t Convent genomen.
ADAM
k Erken hier geen Convent, k erken slechts t volk
Als rechter over mij, dat is mijn vriend.
(Hernieuwd morren onder de menigte).
SAINT-JUST
Vijand des vaderlands, hoe zou t uw vriend zijn!
Het edel volk zal dra uw vonnis vellen;
Den vaderlandsverrader klaag ik aan:
Van ontrouw bij t bestuur der landsfinanciën,
Van sympathiën voor de aristocraten,
En van het streven naar tirannenmacht.
ADAM
Hoed u, Saint-Just, mijn woord is als de bliksem.
Die aanklacht liegt.
ROBESPIERRE (tot het volk)
Laat hem niet tot u spreken,
Gij weet, zijn tong is glad, gelijk de slang.
In naam der vrijheid, maakt u van hem meester
VOLKSMENIGTE
Hij sterve, luistert niet naar hem, hij sterve!
(Zij omringen en grijpen hem).
ADAM
Welaan, hoort mij dan niet, maar ook ik hoor
Niet naar een aanklacht die k zoo diep veracht.
Met woorden overwinnen wij elkaar niet,
Noch ook met daden. Robespierre, gij zijt
Mij vóor geweest, dat s alles, praal er niet mee.
Ik leg de wapens neer - het was genoeg.
Maar zie, bij deze roep k u plechtig op,
Om na drie maanden me op deez weg te volgen.
(tot Lucifer)
Beul, oud u goed - een reus is t dien gij doodt!
(Hij buigt zijn hoofd onder de guillotine).