(In Praag, Tuin van het keizerlijk paleis. Rechts een priëel, links een sterretoren, daarvoor een ruim terras, met Keplers schrijftafel, stoel en astronomische werktuigen. Lucifer, als Keplers famules, staat op het terras. In den tuin wandelen hovelingen en dames in groepen, daaronder ook Eva als Barbara, Keplers vrouw. Keizer Rudolf staat met Adam, als Kepler, in gesprek verdiept. Op den achtergrond vlamt een brandstapel voor ketters. Het is avond, later nacht. Twee hovelingen wandelen over den voorgrond).
EERSTE HOVELING
Wie is dat weer, die daar zoo haastig wegsnelt,
Een ketter of een heks?
TWEEDE HOVELING
Ik weet het niet.
t Is niet meer mode, nog belang te stellen
In zulke dingen; slechts het laagst uitvaagsel
Verzamelt zich nog om de houtmijt heen,
En zelfs dit joelt niet meer van woest vermaak,
Neen, t ziet slechts zwijgend, heimlijk morrend, toe.
EERSTE HOVELING
In mijn tijd werd zoo iets als feest beschouwd,
Toen was het hof er bij, de groote wereld.
Ach, wel verbasterd zijn de goede tijden.
(Zij gaan verder)
LUCIFER
Het vuur doet op zoon guren avond goed,
Ja, t hield mijn leden lang reeds prettig warm,
Maar k vrees, dat t nu al gauw gedaan zal zijn.
Net of het door een manlijk kloek besluit
Wordt uitgedoofd, ook niet of zich een nieuwe
Beschouwing in de plaats er van doet gelden,
Maar in deez onverschillig kalme dagen
Draagt niemand nieuwe blokken naar den gloed,
En ik kan rillen. - Ieder groot idee,
Het gaat helaas in zulk een kleinheid onder.
(Hij verdwijnt in den toren).
(Keizer Rudolf en Adam komen op den voorgrond).
RUDOLF
Trek dus, o Kepler, mij mijn horoscoop;
Ik droomde slecht deez nacht, dat doet mij vreezen,
Dat aan den stand van mijn gesternte iets hapert.
Onheilverkondend was het teeken reeds,
Dat onlangs in zijn hof aan t hoofd der slang stond.
ADAM
Heer, t zal geschieden, zooals gij verlangt.
RUDOLF
Zoodra maar eerst de dag der evening
Voorbij is, moet ook t groote werk hervat,
Dat zonder resultaat tot heden bleef.
k Herlas nog eenmaal Hermes Trismagistus,
Synesius, Albertus, Paracelsus,
Den sleutel Salomons en andre werken,
Tot ik de fout ontdekte die wij maakten.
Nadat de grijze koning was gesmolten,
Verscheen de raaf en ook de roode leeuw;
In beide vormen kwam Mercurius
Door de vereende werking van de twee
Planeten, en ook t philosophisch zuur
Der ertsen gaf den neerslag naar behooren;
Maar wij verzuimden daarbij t vochtig vuur
En t droge water, zoo kwam niet tot stand
De heilge huwlijksnacht, t grootsch resultaat,
Dat nieuwe jeugd in dorrende aadren giet,
En t donkere erts in helder goud herschept.
ADAM
k Heb u begrepen, Heer.
RUDOLF
Nog een paar woorden!
Een boos gerucht maakt aan het hof de ronde,
Dat gij de nieuwe leer omhelsd zoudt hebben,
En onze heilge kerk durft critiseeren;
Thans bovenal, nu als een erge heks
Van zware schuld beticht uw eigen moeder
Gevangen zit, zou u met volste recht
Die argwaan kunnen treffen, gingt gij voort
Er u zoo onvermoeid en zoo hardnekkig
Op uit te toonen om haar vrij te maken.
ADAM
Verheven heer, ik ben en blijf haar zoon
RUDOLF
De heilge kerk is uwe ware moeder.
Laat gij de wereld stil haar eigen gang gaan;
Zooals zij eenmaal is, zoo is ze ook goed.
Al uw bemoeien maakt ze toch niet beter.
Heb ik u niet met gunsten overladen?
Gij weet, uw vader was maar herbergier,
En k heb thans boven allen twijfel toch
Uw adeldom verheven, wat mij moeite
Genoeg gekost heeft, k wees een eereplaats
U bij mijn troon aan, en daardoor alleen
Verwierft gij Barbra Müllers schoone hand;
Dus ik herhaal: mijn zoon, wees op uw hoede!
Hij verwij dert zich, Adam blijft in gedachten verzonken op de trappen van het terras staan. Twee hovelingen treden op den voorgrond).
DERDE HOVELING
Kijk, hoe onze astronoom weer staat te peinzen.
VIERDE HOVELING
Den stakkert plaagt voortdurend de ijverzucht.
Hij kan in onzen nieuwen kring niet wennen;
Men kan toch altijd zien, dat hij maar boer was.
DERDE HOVELING
Hij vat niet, schijnt het, dat de ware ridder
De vrouw aanbidt, of zij zijn Godheid ware,
En waar de laster aan haar eer durft tasten,
Met vreugd zijn bloed voor haar vergieten zou;
Hij ziet een bijbedoeling in die hulde.
EVA
(Sluit zich met de andere groep bij de beide hovelingen aan, en slaat den tweeden hoveling lachend met haar waaier op den schouder).
O red mij ridder, wees toch goedertieren;
Ik lach mij nog eens dood om al uw grappen.
Kijk, die twee heeren hier, die zijn eerst ernstig.
Misschien bekeerden zij zich wel in stilte
Tot die gevloekte nieuwe leer. - Dan weg,
Weg uit mijn oogen! k Kan dat soort niet uitstaan,
Dat met zijn sombere en zwartgallige
Beschouwingen deez kalme, heldre wereld
Aan ons benijdt en op een nieuwe peinst.
DERDE HOVELING
Bekoorlijke, die aanklacht past op ons niet,
Wie haakte in uw nabijheid naar verandring?
EERSTE HOVELING (op Kepler wijzend)
Zoo ik mij niet bedrieg, staat daar een man,
Op wien uw aanklacht beter passen zou.
EVA
Mijn arme man? - Verschoont, om Godswil, heeren,
Hem van zoo zwarte argwaan in mijn bijzijn,
Ik ben aan hem met heilgen band geknoopt;
Voorzeker, hij is ziek - is ernstig ziek.
TWEEDE HOVELING
Is hij soms ziek om deze stralende oogen?
DERDE HOVELING
Voorwaar hij wil toch niet, wat niemand wage,
U met zijn ijverzucht en argwaan kwetsen?
O mocht ik als uw ridder maar mijn handschoen
Den zoo vermeetlen werpen in t gezicht.
(Zij bereiken ondertusschen Adam).
He meester, goed dat wij elkaar ontmoeten;
Maar mijne goedren wensch ik af te reizen,
Voorspel mij dus het weder.
EERSTE HOVELING
En ik wensch
Te weten wat het sterrebeeld mijns zoons is,
Die in deez middernacht ter wereld kwam.
ADAM
Op morgen, heeren, staat u zulks ten dienste.
VIERDE HOVELING
t Gezelschap ging uiteen, laat ons ook gaan!
DERDE HOVELING
Hier is de trap -rust, schoone vrouwe, goed,
(fluisterend)
Dus na een uur, nietwaar?
EVA (ook fluisterend)
Rechts in t prieel.
(luid) Ik wensch u goeden nacht.
(tot Adam)
Kom, beste gade!
(Allen verwijderen zich; Adam en Eva op het terras. Adam zinkt in een leuningstoel. Eva staat voor hem Het wordt steeds donkerder).
EVA
Man, ik heb dringend eenig geld van noode.
ADAM
k Bezit geen penning meer, gij kreegt reeds alles.
EVA
Gebrek dus zal ik eeuwig moeten lijden?
Als pauwen pronken aan het hof de dames,
Zoodat ik schroom mij bij haar te vertoonen.
Voorwaar, wanneer soms de een of andre hoovling
Zich naar mij toebuigt, en glimlachend zegt,
Dat ik de koningin ben van die allen,
Dan schaam ik mij voor u, dat gij aan t hof
De koningin zoo schamel laat verschijnen.
ADAM
Werk ik dan dag en nacht niet achtereen?
Verkoop k om uwentwille niet mijn weten,
Verlaag mij zelf, doordien ik nutteloos
In wichlarij en weervoorspelling doe,
Verberg hetgeen mijn ziel begrijpen leerde,
En dat verkondig wat ik weet dat valsch is?
Ach blozen moet ik, immers ik ben slechter
Dan die Sibyllen, die ten minste zelf
Aan haar orakels hechtten, ik geloof niets,
En doe dit slechts om zoo uw gunst te winnen.
Voorwaar, ik vraag geen deel van t zondenloon.
Ik heb op deze wereld niets van noode
Dan slechts den nacht en t fonklen van zijn sterren,
Dan slechts der sferen wondre harmonie;
Al t andre zij uw deel. Maar s keizers kas,
Is meestal leeg, en men betaalt mij dus,
Hoe vaak ik ook verzoek, slechts ongeregeld.
Gok wat ik morgen krijg, zal u behooren;
En toch blijft gi ondankbaar; zie, dat smart mij.
EVA (weenenc)
Gij brengt mij onder t oog, wat gij mij offert?
Bracht ik voor u niet ook genoeg ten offer,
Toen ik, de dochter van een edel huis,
Mijn toekomst aan uw twijfelbaren rang
Verbond? en zijt gij niet door mij gekomen
In beetre kringen? Loochen dit, ondankbre!
ADAM
De rang van geest en kennis twijfelachtig!
Van donkere afkomst waar de zonnestraal,
Die uit den hemel op mijn voorhoofd daalde?
Waar is een adel buiten dezen nog?
Dat wat en gij én de uwen adel noemt,
Dat is een wrakke marionet, een pop,
Waaruit de ziel sinds lang geweken is,
Maar eeuwig jong en krachtig blijft de mijne.
O vrouw, wanneer gij zoo mij kondt verstaan,
Uw ziel zoo nauw verwant ware aan de mijne,
Als ik geloofde bij uw eersten kus,
Gij zoudt trotsch op mij zijn, en in mijn kring,
Daarbuiten niet, uw levensvreugde zoeken,
Zoudt al het zoete, wat er in u is,
Niet aan de wereld bieden, en al t bittre
Opsparen voor den huiselijken haard.
O vrouw, hoe eindloos lief heb k u gehad!
Ik heb u nog lief, maar een bittere angel
Steekt in der liefde honing mij door t hart;
t Smart mij te zien, hoe edel gij zoudt wezen,
Indien gij vrouw waart; t lot maakte u tot niets,
Wijl t slechts als afgodsbeeld de vrouw nog kent,
Die t riddertijdvak als een Godheid eerde.
Maar toen men zoo geloofde, was de tijd groot,
Thans is de tijd, die -niets gelooft, een dwerg,
En t afgodsbeeld dekt enkel zonden toe.
Kon ik mij van u scheiden, hoe t ook smartte,
Mijn hart van t uwe scheuren, k zou misschien
Dan kalmer zijn, en ook gij meer gelukkig;
Maar dit verbiedt ons de eens gevestigde orde:
Het hoog gezag, de wet van onze kerk;
Wij moeten tot aan t graf elkaar verdragen.
(Hij verbergt het gelaat in de handen. Eva liefkoost hem geroerd).
EVA
Neen Johan, neem het niet zoo droevig op;
Al zeg ik tusschenbeide u ook een woordje,
Ik heb het doel toch niet om u te krenken.
Maar zie, het hof is ook zoo wonderlijk,
En al de vrouwen zijn zoo trotsch, zoo hoonend;
Wat moet ik doen, dat ik haar kan trotseeren?
Mietwaar, er is geen wrok meer tusschen ons?
Rust goed! vergeet niet, dat ik morgen geld krijg.
(Zij gaat de trappen naar den tuin af).
ADAM
Wat vreemde mengeling van goed en kwaad
Is toch de vrouw, half honing en half gal.
Waarom trekt ze ons toch tot zich? Wijl het goede,
Dat in haar woont, haar eigen wezen is,
En al haar fouten van den tijd zijn,
Die haar gebaard heeft.
(roepend)
He daar, famulus!
(Lucifer komt met een lamp, die hij op tafel zet).
LUCIFER
Wat wenscht mijn meester?
ADAM
k Heb uw hulp van noode
Voor weer- en voor geboorteprofetieën;
Vervaardig die terstond.
LUCIFER (spottend)
Ah, profetieën;
Natuurlijk alles gans en zonneschijn,
Wie zou voor geld een droeve waarheid koopen?
ADAM
Maar zorg dat gij niets spel wat ongerijmd schijnt.
LUCIFER
Zoo overdreven is er niets te vinden,
Wat ooit aan de ouders aanstoot geven zou;
Is iedre nieuwgeboorne geen Messias?
Als ster gaat hij voor zijn familie op;
Pas later komt meestal de lummel kijken.
(Hij schrijft).
(Eva heeft intusschen het prieel bereikt, de derde hoveling treedt haar tegemoet).
DERDE HOVELING
Hoe lang, o wreede, laat gij mij hier smachten!
EVA
Misschien beschouwt gij t reeds als een groot offer,
Om hier den kouden nachtwind te verduren;
En dat, waar ik een goeden, eedlen man
Bedrieg, en s hemels vloek, der wereld blaam,
Alleen om uwentwil op mij durf laden.
HOVELING
Och wat, des hemels vloek, der wereld blaam
Dringt in t geheim van dit prieel niet door.
ADAM (peinzend)
k Verlangde naar een tijd, die voor niets streed,
Waar niemand aan den druk der vastgestelde
Maatschaplijke orde, dit gewijd vooroordeel,
Meer tasten dorst, waarin ik rusten kon
En met den lach der onverschilligheid
De wonden van mijn langen strijd doen heelen.
Verschenen is deez tijd - doch ach, wat nut die,
Zoolang er in de borst een ziele leeft,
Dat pijnlijk heilig erfdeel, waar de hemel
Den zwakken sterveling mee heeft begiftigd,
Een ziele, die verlangt, die hem geen rust laat,
En hem ten strijd drijft tegen t traag genot.
(tot Lucifer)
He famulus, breng wijn, zie, hoe ik huiver;
De wereld is zoo koud, k moet mij verwarmen.
In dezen dwergentijd moet ieder zoo
Zich trachten te bezielen, los te maken
Van al het vuile slijk, dat aan ons kleeft.
(Lucifer brengt wijn, Adam drinkt herhaaldelijk).
Ontsluit, o groote, o onbegrensde hemel,
Uw geheimzinnig, heilig boek voor mij;
Terwijl k uw grootsche wet zoek uit te vorschen,
Vergeet ik mijn omgeving en mijn tijd.
Gij slechts zijt eeuwig, al de rest verganklijk,
En gij verhoogt, waar deze mij vernedert.
HOVELING
Ach, Barbara, waart gij de mijne toch!
Riep God maar gauw uw gade tot zich op;
Met minder moeite, dan nu hier op de aarde,
Kon hij omhoog den hemel bestudeeren.
EVA
Zwijg ridder, k zou den arme zoo betreuren,
Dat k door mijn tranen heen u niet kon kussen.
HOVELING
Gij schertst.
EVA
Neen, waarheid is het, die ik spreek.
HOVELING
Wie kan dit raadselachtig wezen vatten?
O, Barbara, gij mint hem meer dan mij.
Of zeg, wanneer ik arm was en verbannen,
Wat zoudt gij voor uw trouwen minnaar doen?
EVA
Voorwaar, dat zou ik nu niet kunnen zeggen.
ADAM
O, kwam de tijd toch, die al t ijs deed smelten
Van deze kilkoude onverschilligheid,
En die met nieuwen moed en kracht gewapend,
Den ouden rommel onder t oog dorst zien; -
Die optreedt als een rechter, straft en opricht,
(Hij rijst omhoog en gaat met onzekere schreden naar den rand van het terras).
Die voor geen groote middlen bang terugschrikt,
Net vreest ook t meest verborgen woord te spreken;
Die weldra als een machtige lawine
Voortrollen zal op t onheildreigend pad,
Misschien ook hem verplettrend, die het uitsprak!
(Men hoort het lied der Marseillaise).
O k hoor, ik hoor het lied der toekomst klinken,
Ik vond het woord, den grooten talisman,
Die spoedig de oude wereld zal verjongen.