ELFDE TOONEEL

(In London. Markt tusschen den Tower en den Theems. Een bonte menigte woelt levenmakend dooreen. Adam, als bejaard man, staat met Lucifer op een der bastions van den Tower. Het loopt tegen den avond.)

KOOR
(Met het geruisch der wemelende menigte samensmeltend, en van zachte muziek begeleid).
Luide bruist de zee van ’t leven,
Gansch een wereld elke golf,
Waarom vreest gij, rijst er de eene, -
Klaagt, als de andre die bedolf?
Nu eens vreest gij, dat zich de enkle
Door den hoop verslonden ziet;
Dan, dat de enkle uitverkoorne,
Millioenen doet te niet.
Heden beeft gij voor de dichtkunst,
Morgen voor de kennis weer;
Binnen ’t eigen enge stelsel
Hieldt gij liefst de golven neer.
Hoe ge ook strijdt, hoe ge u ook aftobt,
’t Is slechts water, wat gij schept.
’t Ondoorgrondlijk diep bruist verder,
’t Lacht dat gij zoo’n moeite hebt.
Laat het bruisen, dra zet ’t leven
Zelf zich perken in zijn streven,
Niets gaat onder in den strijd,
’t Oude wordt als nieuw herboren. -
Hoort naar ’t lied der eeuwigheid!

ADAM
Dat is het, waar ik altijd naar verlangde!
En was mijn baan tot nog toe ook een dwaalweg,
Thans staat in zijn volmaking ’t leven voor mij,
Wat schoon, wat moed opwekkend krijgsgezang!

LUCIFER
Schoon van de hoogte uit, als het kerkgezang;
Wat heesche tonen ook, weeklacht of zucht,
Daar opgaan, ’t lied versmelt ze in harmonie.
Zoo hoort ook God het, en daarom gelooft hij
Dat de aarde wonder fraai door hem gemaakt werd.
Wij zouden ’t anders hooren van omlaag,
Waar ook de slag van ’t hart er tusschen spreekt.

ADAM
Vermeetle twijfelaar, is deze wereld
Niet schooner toch dan alles, waar ge mij
Tot hiermee plaagdet? De met mos begroeide
Scheidsmuren van den stand, ze zijn gevallen;
Verdwenen zijn ze, de oude spookgestalten,
Die, met den glorieschijn der heiligheid
Omkleed, ’t verleen als vloek der toekomst naliet.
Aan vrijen wedstrijd staat de wereld open;
Men bouwt geen pyramiden meer met slaven.

LUCIFER
Ook in Egypte hadt gij niet gehoord,
Op zulk een hoogte, ’t steunen van den slaaf,
En zonder dit hoe godlijk is zijn werk!
Of handelde soms in Athene niet
Het heerlijk volk hoogst waardig en verheven,
Opoffrend een geliefden grooten man
Die anders ’t land had in gevaar gebracht,
Wanneer wij maar zijn daad van verre zien,
En ons door vrouwensmart ot soortgelijke
Hoogst ijdle nietigheen niet Iaten roeren.

ADAM
Verstom, verstom, gij eeuwige sophist!

LUCIFER
Maar ’t zij dan waar, dat ’t weegeklag verstomde,
Hoe vlak werd alles in de plaats er van.
Waar is een hoogte nog, die opwaarts lokt?
Waar is den afgrond nog, die siddren doet?
Waar onzes levens zoete kleurenpracht?
Het is geen bruisende, door zonnelicht
Beglansde golf meer van de breede zee,
Het is een gladde poel slechts, vol van kikkers.

ADAM
Dit wordt vergoed door de algemeene welvaart.

LUCIFER
Van uw hoog standpunt uit beoordeelt gij,
Zoo ’t leven, dat zich afspeelt aan uw voeten,
Als die historie schrijven ’t ver verleden.
Uit heesche keel hoort niemand jammerkreten;
Den zang slechts van ’t verleden schrijft men op.

ADAM
Ei kijk, ook Satan wordt romantikus
Of doctrinair; met beide is iets gewonnen.

LUCIFER (op den Tower wijzend)
Geen wonder, waar wij, in een nieuwe wereld,
Op ’t schrikbeeld der vervlogen tijden staan.

ADAM
Dit afgedane standpunt. Ook ’k wil niet,
’k Daal vastbesloten af ter nieuwe wereld,
En voel geen vrees, of ’k vind èn poëzie
En groote ideeën daar opnieuw terug
In ’t barnen van haar golven. ’t Moge zijn, -
Dat zich de ideeën niet meer openbaren
In dien Titanenstrijd van vroeger dagen,
Waarbij de hemel trilde, maar zij scheppen
In haar bescheiden kring een wereld zich,
Die des te meer gezegend is en lieflijk.

LUCIFER
Het zou een overbodige angst ook zijn,
Als gij dit vreesdet. Want zoover de stof
In wezen is, zoover ook gaat mijn macht
Ter loochning van al wat met haar in strijd raakt
Zoolang het hart klopt, en de hersens denken,
Een de gevestigde orde aan ’t zielsverlangen
En perk zet, zoolang zullen en gedachte
Én dichtkunst leven in de geestenwereld,
Om aan de ontkenning steeds van dienst te zijn. -
Maar zeg, wat voor gedaante nemen we aan,
Waar we ons begeven onder ’t woelend volk?
Zóo kunnen wij slechts staan op deze plek,
Waar ons de droom nog van ’t verleen omzweeft.

ADAM
Om ’t even! Dank zij ’t lot, geen kleederdracht
Die meer in de oogen steekt. Laat, om te weten
Hoe ’t volk voelt, ons zijn eigen kleeding dragen.
(Zij dalen in den Toi.ver neer, en treden binnenkort, als arbeiders gekleed, de poort er van uit, en mengen zich onder de menigte. Een marianettenspeler staat naast zijn tent, waar een aap, in een rood rokje, aan een ketting zit).

MARIONETTENSPELER
Hierheen, hierheen, mijn lieve, goede heeren,
Zoo aanstonds neemt het schouwspel een begin.
’t Zal allergeestigst en vermaaklijk zijn.
Ge krijgt er in te zien, hoe de eerste vrouw,
Die al nieuwsgierig was, door slangenlist
Zich liet verleiden, en toen op haar beurt
Haar man in ongelegenheden bracht.
Ziet hier den vluggen aap, hij weet den mensch
Zoo komisch en zoo deftig na te bootsen;
Terwijl de logge beer zijn dansles geeft.
Hierheen, hierheen, mijn lieve, goede heeren.
(Gedrang vóór de tent).

LUCIFER
Wel Adam, hier gedenkt men onzer nog.
’t Was toch een mooi bedrijf, zoo’n rol te spelen,
Dat gij zesduizend jaren nog er na
De dartle jeugd daarmee vermaken kunt.

ADAM
Weg met die smakelooze grap! kom verder.

LUCIFER
Die smakelooze grap; kijk maar eens aan,
Hoe daar die frissche knapen zich vermaken,
Op school pas over Nepos ingedut.
En wie zegt nog, bij wien de waarheid schuilt:
Bij hen, die jong het leven binnentreen
In ’t zelfgevoel van pas ontwaakte kracht,
Of hem, die met versleten hersens ’t uittreedt?
Spreek, hebt gij Shakespeare’s beelden wel meer lief,
Dan zij de fratsen, die men daar vertoont?

ADAM
’t Zijn juist die fratsen, die ik niet kan uitstaan.

LUCIFER
Dat hebt gij uit de Grieksche wereld nog,
Zie, mij die ’k zoon of vader, naar ’t u goeddunkt,
- Want bij de geesten maakt dat klein verschil -
Der nieuwe richting zijn wil, der romantiek,
Vermaken deze fratsen juist het meest.
Een apentrek in ’t menschelijk gelaat,
Een hand met vuil, die zich aan ’t grootste slaat;
In ’t aangebeden hairen kleed de logen,
Een deern’ met zedig neergeslagen oogen
Een wierookoffer voor den schijn van deugd,
Des grijsaards vloek op liefde en huwlijksvreugd;
Zij zeggen, dat - al ging mijn rijk verloren -
’k In nieuwe vormen toch steeds word herboren.

MIARIONETTENSPELER (Adam op den schouder tikkend)
Wat neemt gij deze goede plaats hier in?
Gij looze vogel; ’t gaat hier slechts om duiten.
Dus eerst betalen; slechts wie ’t leven moe is
En zich verhangen wil, die spele om niet.
(Adam en Lucifer treden op zijde; een klein meisje komt, viooltjes te koop biedend.)

KLEIN MEISJE
Ziet deez viooltjes hier, ’t zijn de eerste boden
Der schoone lente. Wilt ze van mij koopen!
Dit kleine bloempje geeft der wees haar brood,
En geeft aan de armoede ook een schoonen tooi.

EEN MOEDER (viooltjes koopend)
Geef hier, ’k steek ze in de hand van mijn dood kindje.

JONG MEISJE (ook koopend)
De schoonste tooi zal ’t voor mijn donker haar zijn.

HET KLEINE MEISJE
Viooltjes koopt! Koopt mijn viooltjes, heeren!
(Zij gaat verder).

EEN GALANTERIEHANDELAAR (in zijn kraam)
Dat hier dit kleine kataas altijd door
Met ons moet concurreeren, en wij nooit
Die bloemen uit de mode kunnen krijgen!
Op schoonen hals past toch alleen de parel,
Waarvoor reeds hij, die ze uit de diepte haalde,
Met de onverschrokkenheid van wie niets heeft,
Den schrik der zeegedrochten dorst braveeren.
(Twee burgermeisjes komen).

EERSTE BURGERMEISJE
Wat schoone waar, wat dure kostbaarheden!

TWEEDE BURGERMEISJE
Was er maar een, die ze ook ons aan kwam bien.

EERSTE BURGERMEISJE
O tegenwoordig geven mannen slechts
Met bijbedoelingen, wdat zult gij zien.

TWEEDE BURGERMEISJE
Ook dan niet. Want hun smaak werd veel te naar,
Door veile deernen en door caviaar.

EERSTE BURGERMEISJE
Zij zijn te trotsch misschien, naar ons te vragen.

TWEEDE BURGERMEISJE (spottend)
Of te bescheiden om nog iets te wagen.
(Zij gaan verder).
(In een loofhut wordt drank geschonken, rondom de tafel zitten drinkende arbeiders. Op den achtergrond muziek en dans. Soldaten, burgers en allerlei volk vermaakt zich en luiert).

WAARD (temidden zijner gasten)
Weest vroolijk, heeren! ’t Gistren ging verloren,
Het morgen zullen wij wel nooit bereiken,
God immers voedt de kleine vogels zelfs;
De schrift reeds leert: ’t is alles ijdelheid.

LUCIFER
Wel, mij behaagt dit soort van wereldwijsheid.
Laat ons op gindsche bank, waar schaduw is,
Gaan zitten, en aanschouwen hoe zich ’t volk
Goed, en goedkoop er bij, weet te vermaken,
Met zuren wijn en leelijke muziek.

EERSTE ARBEIDER (aan de tafel)
Machines, zeg ik, zijn een werk des duivels;
Zij stelen ’t brood ons voor den mond vandaan.

TWEEDE ARBEIDER
Ons blijve slechts de drank, die doet vergeten.

EERSTE ARBEIDER
De rijke honden tappen ’t bloed ons af;
Had ik er nu een hier, ’k zond naar de hel hem,
Nog meer voorbeelden, zooals dat van laatst was,
Behoeven wij.

DERDE ARBEIDER
Wat werd er mee gewonnen?
Die arme duivel zal vandaag al hangen;
Ons leven blijft den ouden kringloop gaan.

TWEEDE ARBEIDER
Wat gekke praat! Laat vrij den rijke komen,
Ik doe hem, als hij naast mij zit, geen kwaad;
Wie zag er ooit een, die wist pret te hebben?

WAARD (tot Adam)
Waarmee kan ik u dienen, heer?

ADAM (knorrig)
Met niets.

WAARD
Weg van deez bank dan, heer van kalenstein.
Meent gij soms, dat ik ’t geld maar heb voor ’t stelen?
Of dat ’k met vrouw en kind voor ’t beedlen deug?

ADAM (opstuivend)
Hoe waagt gij zoo te spreken?

LUCIFER
Laat dien lummel!

ADAM
Gaan wij dan heen, waarom ook langer aanzien,
Wat aaklig een gedierte toch de mensch werd.

LUCIFER
Neen kijk, hier is wat ik al lang gezocht heb;
Hier kunnen we ons nu ongestoord vermaken.
’t Zijn ’t luid gejoel, de woeste vroolijkheid,
De opwinding van het bachahalisch vuur,
Die rozen op elks wang te voorschijn roepen,
Zoo houdt ook ’t luchtgespiegel de woestijn
Bedekt. - Vindt gij ’t niet schittrend?

ADAM
’k Walg er van.
(Inmiddels zijn zij bij de dansenden gekomen. Twee bedelaars naderen kibbelend).

EERSTE BEDELAAR
Dit is mijn plaats - ik heb hier de concessie.

TWEEDE BEDELAAR
Erbarm u mijner, ’k sterf van honger anders.
’t Zijn reeds twee weken, dat ik niet kan werken.

EERSTE BEDELAAR
Gij zijt geen echte beedlaar, die werkt nooit,
Weg knoeier, of ik roep om den agent.
(De tweede bedelaar strompelt weg; de eerste behoudt de plaats).
Bij Christus’ vijftal wonden, wilt een aalmoes
Mij armen stumper geven, lieve heeren!
(Een soidaat neemt een handwerker zijn danseres uit den arm).

SOLDAAT
Weg wlummel, of durft ge u misschien verbeelden,
Dat ook gij iemand zijt?

EERSTE HANDWERKER
Dat zult gij voelen,
Als gij ’t soms niet gelooft.

TWEEDE HANDWERKER
Laat hem met vree.
Bij hem zijn roem en macht, dus wijk voor hem.

EERSTE HANDWERKER
Die vampier! nog verachten wil hij ons,
Terwijl hij tevens op ons hartbloed aast!

LICHTEKOOI (zingend)
Hoe angstig ook een draak dien mocht bewaken,
Toch kwam men slim den gouden appel halen, -
Gestorven zijn al lang de booze draken,
Maar gouden appels ziet men nog steeds pralen:
Dwaas is, die ze zou aanschouwen,
En zich ’t plukken niet betrouwen.
(Zij leunt tegen een jong man).

LUCIFER (in aanschouwing der zich vermakenden verzonken)
Kijk, die coquetterie behaagt mij wel;
De rijke moet toch toonen, wat zijn schat is.
In de ijzren geldkist, waar de vrek op zit,
Kan zand net even goed als goud zich bergen.
Hoe roerend van jaloerschheid is die lummel!
Zijn meisje werpt geen blik, dien hij niet opvangt,
Hij weet best wat een oogenblik wel waard is.
Weet best, dat morgen al zijn aardig liefje
In de armen van een andren minnaar vliegt.

ADAM (tot een der muzikanten)
Waarom gaat gij zoo met de kunst om, mensch?
Zeg, kan u zelf dan dat gekras behagen?

MUZIKANT
Behagen? ’k wou nog liever! Bittre kwelling
Is mij dat dagelijksch gekras, en ’t zien
Hoe men daarbij zich gillende amuseert.
Die woeste klank dringt door tot in mijn droomen.
Maar wat beginnen anders? ’k moet toch leven.

LUCIFER (nog steeds in aanschouwing verzonken)
Zoo’n hoogst bedachtzame philosophie,
Wie zou die bij de losse jeugd verwachten?
Die deerne weet, hoe ’t oogenblik waarvan
Zij thans geniet niet ’t laatste is van haar leven.
En waar ze omarmt, daar zoekt haar oog alree
Een nieuwen minnehandel. O gij liefjes,
Hoe groeit mijn vreugde in u, mijn hartediefjes,
Die met uw glimlach naarstig voor mij werkt!
Tot zegen geef ik u ellende en zonde.

TWEEDE HANDWERKER (zingend)
Wie werkt geheel de lange week
Met rein gemoed en vroolijk lied,
Wien kus en beker smaakt naar eisch,
Die beeft voor ’s duivels listen niet.
(Men hoort eenige slot-akkoorden van kerkmuziek; Eva als burgermeisje, met gebedenboek en ruiker in de hand, komt met haar moeder uit de kerk).

EEN KOOPMAN
Hierheen, hierheen maar, allerschoonste jonkvrouw!
Met geen goedkooper waar kan men u dienen.

TWEEDE KOOPMAN
Geloof hem niet, hij geeft u slechte maat
En oude spullen; hierheen, schoone dame!

ADAM
O Lucifer, gij houdt mij hier gekluisterd
Op deze nare plek, en ondertusschen
Zweeft ons de hoogste zaligheid belichaamd
Schier ongemerkt voorbij.

LUCIFER
Die phrasen zijn
Mij juist geen nieuwe taal.

ADAM
Daar uit den tempel
Komt zij naar buiten, o hoe schoon, hoe schoon!

LUCIFER
Om zich te laten zien, misschien te zien ook.

ADAM
Niet haar vermag uw koude hoon te treffen.
Nog zetelt de aandacht op haar reine lippen.

LUCIFER
Gij betert u, gij wordt nog piëtist.

ADAM
Een slechte scherts; hoe leeg mijn borst ook zijn moog,
Dat is mijn zaak, maar in het meisjeshart
Wensch ’k dit vooroordeel, deze poëzie,
Muziek uit ’t ver verleen, bewaard te zien;
Het is der bloeme onaangetaste dauw.

LUCIFER
Waar is uw vondst, wijs mij dit stukje hemel,
Want van den duivel kunt gij toch niet wachten,
Dat hij uw smaak altoos weet uit te speuren;
Genoeg zoo hij u dan aan haar bezit helpt.

ADAM
Kan daar een tweede zijn als deze jonkvrouw?

LUCIFER
Zoo spreekt de groenspecht ook, waar hij een worm pakt;
Hij kijkt, voor roof beducht, schuw om zich heen,
En meent dat dit het beste hapje op aard is,
Terwijl de duif met walging er op ziet.
De mensch ook vindt slechts zelf zijn hemel uit,
En mooglijk daar juist, waar mijnheer zijn makker
Nog pas heeft ondervonden dat zijn hel was.

ADAM
Wat waardigheid, wat maagdelijke deugd!
Ik waag het bijna niet, haar aan te spreken.

LUCIFER
Vat moed, gij zijt bij vrouwen toch geen nieuwling,
En zoo ik goed zie, is ook deze koopbaar.

ADAM
Zwijg!

LUCIFER
Mooglijk slechts wat duurder dan de rest.
(Een jongeling treedt middelerwijl bescheiden op Eva toe en biedt haar een hart van honingkoek aan).

JONGELING
Jonkvrouwe, wil deez kleine kermisgave,
Ik bid u, vriendlijk uit mijn hand aanvaarden.

EVA
Hoe aardig, Arthur, zoo aan mij te denken.

MOEDER
Ik zag u lang niet; wat bezoekt ge ons niet?
(Zij praten zacht, Adam slaat hen gejaagd gade, tot de jongeling zich verwijdert).

ADAM
Zou deze onrijpe jongen dan bezitten,
Waar vruchteloos mi;n mannenhart naar smacht?
Zie, hoe vertrouwlijk spreekt ze met hem, lacht -
Wuift hem nog na - o kwelling, welk een kwelling!
Ik moet haar spreken.
(Hij nadert Eva).

MOEDER
Arthurs ouders zijn
Vermogend, ja, maar nu ik nog niet weet,
Hoe zijn verhouding tot u wordt beschouwd,
Geef nu zijn mededinger ook niet op,
Die met deez ruiker u vandaag verraste.

ADAM
Vergunt mij, dames, dat ik u geleide;
Licht overkomt u in ’t gedrang iets kwaads.

EVA
Wat onbeschaamdheid!

MOEDER
Weg, indringer, weg!
Meent gij misschien, dat gij een meisje voorhebt,
Waar elk maar complimenten aan mag maken?

ADAM
En wat kan hij dan anders? Aldus droomde
Ik vaak mij ’t ideaal van vrouwenschoonheid.

MOEDER
Gij kunt voor mijn part droomen, wat gij wilt,
Maar hij, aan wien dit kind haar schoonheid prijsgeeft,
Die mag voorwaar geen kale schooier wezen.
(Adam staat verward, een waarzegster treedt op Eva toe).

WAARZEGSTER
O kostelijke jonkvrouw, wereldwonder,
Wil mij uw kleine, witte hand slechts geven,
Dan zeg ik u, wat gunsten, hoogst bijzonder,
Het lot u schenken zal in ’t blijde leven.
(Eva’s hand beschouwend).
Een schoone bruigom wacht, dra staat hij u voor oogen,
Een blozend kindrental, gezondheid en vermogen.
(Zij krijgt geld).

LUCIFER (op Adam wijzend)
Vrouw, wil ook ’t lot van deez mijn makker spellen.

WAARZEGSTER (zijn plunje verachtelijk opnemend)
Niit duidelijk zie ik ’t, hongerdood of galg.

ADAM (tot Eva)
Bekoorlijk kind, wijs mij niet van u af;
O ’k voel, dit hart, het werd voor mij geschapen. -

EVA
Mijn moeder, laat het toch niet…

MOEDER
Dent agent
Zal ’k roepen, zoo hij niet zijn biezen pakt.

EVA
Doe hem geen kwaad, hij zal zich wel bezinnen,
En eigenlijk deed hij toch niets verkeerds.
(Zij gaan verder).

ADAM
O heilige poëzie, zijt gij dan gansch
Verdwenen uit deez wereld vol van proza?

LUCIFER
In ’t minst niet, bloembouquet en honingkoek,
En dans en loofpriëel, wat waren ze anders?
Wees zoo kieskeurig niet; aan onderwerpen
Voor luie droomen is nog geen gebrek.

ADAM
Wat baat het, zoo de geldzucht en ’t belang
Arglistig er op loeren, en zoo nergens
Belanglooze geestdrift meer bestaat?

LUCIFER
Ook die is op de schoolbank wel te vinden,
Waar nog het leven niet heeft huisgehouden.
Daar komen juist een paar van die gezellen.
(Eenige scholieren komen aanwandelen).

EERSTE SCHOLIER
Nu vroolijk maar, de duffe boel is uit,
Laat ons vandaag naar hartelust genieten.

TWEEDE SCHOLIER
Naar buiten in de vrijheid, deze stad
Verveelt mij met haar orde en handelsgeest.

DERDE SCHOLIER
Laat ons met d’ een of ander ruzie maken,
Dat is een prikklend, mannelijk genoegen.

EERSTE SCHOLIER
Ontrukken we aan den arm dier lotelingen
Hun meisjes, daadlijk zal de twist er zijn;
Dan trekken vroolijk wij met haar naar buiten,
Voor bier en voor muziek is er nog geld,
En ’s avonds zullen tusschen roode wangen
We als prinsen zitten, den triomf gedenkend.

VIERDE SCHOLIER
Wat pret, wat pret, philisters zoo te plagen!

EERSTE SCHOLIER
Laat vaster nog den vriendschapsband ons snoeren,
En ons vermaken, waar maar vreugde woont,
Totdat wij eens, van vaderlandschen zin
Ontgloeid, bij eedler doel een kampplaats vinden
Voor kloeken mannenmoed!
(Zij gaan verder).

ADAM
Hier is nog vuur,
Een schoon gezicht in deze platte wereld.
Daarin aanschouw ’k de kiem van beter dagen.

LUCIFER
Waartoe deez kiem zal groeien, zult gij zien,
Wanneer maar eerst het schoolstof afgeschud is.
Die beide fabrikanten, die daar naadren
Zijn in hun jeugd geweest als thans die knapen.
(Twee fabrikanten komen in gesprek verdiept).

EERSTE FABRIKANT
’t Is vruchtloos, ’k sta de concurrentie niet.
Een iegelijk verlangt slechts naar ’t goedkoopste;
’t Gehalte van mijn waar moet ’k zelf bederven.

TWEEDE FABRIKANT
Wij moeten ’t arbeidsloon dan maar verlagen.

EERSTE FABRIKANT
Dat gaat niet, zich verzetten doen zij toch al,
En klagen dat ze zoo niet kunnen leven.
Nu voor die klacht is mooglijk iets te zeggen;
Maar wie gebiedt hun ook een vrouw te nemen,
Of wil dat zij zes kindren zullen krijgen?

TWEEDE FABRIKANT
Wij moeten maar hun krachten meer gebruiken;
Wanneer ze in hun fabrieken half den nacht
Doorwerken, rusten zij genoeg in de andre helft,
Daar toch het droomen niet voor hen geschikt is.!
(Beiden vervolgen hun weg).

ADAM
Weg met u! Waarom liet ge mij die zien? -
Maar spreek, waar is het schoone meisje heen?
O Lucifer, bewijs mij thans uw macht,
Maak dat ze mij verhoore!

LUCIFER
Lucifer
Verspilt zijn krachten niet aan zulk een niets.

ADAM
Wat voor u niets is, is voor mij een wereld.

LUCIFER
Nu, heb het dan. - Gij moet slechts uw gevoelens
Nog wat beteuglen en geen leugens vreezen.
Antwoord al naar mijn vragen, en gij hebt haar.
(Zeer luid, zoodat de luisterend achter hen staande waarzegster het kan hooren).
Gij ziet thans wel, mylord, dat het geen pas geeft,
Om met dit maskeradepak ons zoo
Te mengen onder ’t volk, wij stooten telkens
Op nieuwe grofheen en op nieuwen schimp.
Zoo ’t volk vermoedde, dat vier van uw schepen
Reeds heden keeren zullen uit Oost-Indie,
’t Had anders ons ontvangen.

ADAM
Wel waarschijnlijk.

WAARZEGSTER (ter zijde)
Die klant daar is een aardig duitje waard.
(tot Adam)
Een woordje! daar ge uw rang verbergen woudt,
Wilde ik u straffen met mijn profetie,
Want voor mijn oogen blijft er niets geheim,
Ik ben van oudsher beste maat met Satan.

LUCIFER (ter zijde)
Gij giftige adder, dat mankeerde nog!

WAARZEGSTER
Uw schepen keeren heden reeds terug;
Maar wat mij het allermeest verheugt,
Een hoogst bekoorlijk meisje smacht naar u.

ADAM
En hoe zal ik haar winnen?

WAARZEGSTER
Ze is al half
Gewonnen.

ADAM
Kon ’k uw woorden maar gelooven!
Zij wees mij af.

WAARZEGSTER
Juist daarom wordt zij de uwe.
Het duurt niet lang, of gij aanschouwt haar weer,
Denk aan het woord der profetesse, heer!
(Af).

ADAM (tot Lucifer)
Voorwaar, die oude heks is u de baas.

LUCIFER
’k Betwist haar niet, dat zij verdiensten heeft,
Zij neemt de plaats des duivels waardig in.
(Een marktschreeuwer verschijnt met trompetgeschal op zijn kar, omgeven van volk, en plaatst zich in’t midden van het tooneel).

MARKTSCHREEUWER
Plaats, plaats, gemaakt, hebt eerbied voor mij, lieden,
Dit hoofd vergrijsde in dienst der wetenschap,
Terwijl ik der natuur geheime …
Met onvermoeiden ijver zocht te ontdekken.

ADAM
Wat is dat voor een wonderlijke dwaas?

LUCIFER
Dat is de wetenschap, die om te leven
Tot charlatan werd, juist zooals gij deedt
Toen gij geleerd waart en de sterren kendet.
Slechts maakt zij nu wat meer gedruisch dan toen.

ADAM
In zulk een mate heb ik ’t nooit gedaan.
O schande er over!

LUCIFER
Deze kan ’t niet helpen;
Hij zet zijn hart er op, om te vermijden,
Dat men niet eenmaal op zijn grafsteen leze:
„Ex gratia speciali
Mortuus in hospitali”.
Waar hij zijn dagen en zijn nachtrust offert,
Daar komt hem ’t zoeken van een loon ook toe.

MARKTSCHREEUWER
Voor ’t heil der menschheid tobde ik mij lang af,
En ziet, dit is het roemrijk resultaat.
Dit fleschje hier bevat het levensvocht,
Waardoor wie oud en ziek is wordt verjongd;
Eertijds gebruikten dit de Pharaonen.
Dit is de tooverdrank van ridder Tancred;
Deez schoonheidsmiddlen bezigde Helene,
En hier hebt gij zelfs Keplers sterrenleer.

ADAM
Hoort gij wat hij verkoopt? Gelijk wij ’t licht
Eens zochten in de toekomst, zoo zoekt deze
Datzelfde licht in ’t ver verleden nu.

LUCIFER
Het oogenblik wordt zelden gewaardeerd,
Als menschengrootheid in het slaapvertrek.
’t Is onze gade - na tien jaren huwlijks!
Wij weten reeds het aantal van haar sproeten.

MARKTSCHREEUWER
Koopt, koopt maar, hem die koopt zal ’t niet berouwen,
Er viel nog nooit zoo’n aanbod hier te aanschouwen.

EEN UIT DE MENIGTE
Hier, hier er mee!

TWEEDE UIT DE MENIGTE
Dit is iets naar mijn gading.

DERDE UIT DE MENIGTE
O wat geluk, en wat een goede koop.

LUCIFER
Kijk nu, dit volk wil aan niets meer gelooven,
Maar ’t wonder liet, o wonder, ’t zich niet rooven!
(Eva keert met haar moeder terug, de waarzegster fluistert haar iets toe).

EVA
Dat zijn maar praatjes, hoor, die kennen wij.

WAARZEGSTER
Ik wil niet zalig worden als ik jok.
Die heer is doodlijk op u verliefd;
Hij snakt er naar u heden nog te winnen.
Dan woont gij in een huis als een vorstin,
Naar bal en schouwburg rijdt gij met vier paarden.

MOEDER
Dat ’s goed beschouwd toch honderdmalen beter,
Dan in een vuile, stinkerige werkplaats
Als kleer- of laarzenmakersvrouw te kwijnen.

WAARZEGSTER
Zie hem maar aan, daar staat hij, hoe hij zoekt.

EVA
’t Is erg genoeg, dat hij mij nog niet zag.
Zijn hand is fijn, zijn houding is voornaam.

MOEDER
’k Heb evenmin wat op zijn makker tegen,
Schoon wel wat krom zijn neus, zijn voet wat scheef is,
Maar hij ’s zoo’n waardige en bedaagde man.
Ik ga nu, dochtertje. ’k Speel best die zaak klaar,
Waar ik u beiden eerst een poos alleen laat.

WAARZEGSTER (tot Adam)
Hier is de schoone; hoe zij naar u smacht!

ADAM
’k Vlieg naar haar toe; o vreugde - welk een vreugde!

WAARZEGSTER
Gij moet eerst de onderhandlares nog loonen.

LUCIFER (geeft haar geld).
Dit geld van hem, dien handdruk neem van mij.

WAARZEGSTER (schreeuwend)
Au, welk een harde hand!
(Af).

LUCIFER
Gij zoudt genieten
Bij ’t voelen van dien handdruk, zoo gij werklijk
Dat waart, wat gij nu speelt, gij oude heks.

EVA (tot Adam)
Gij kondt mij wel een kermisgave schenken.
Dit schoonheidsmiddel zou juist een present zijn. -

ADAM
Geen schoonheidsmiddel haalt bij die bekoring
Der vrouwlijkheid, die van uw trekken straalt.
(De marktschreeuwer is inmiddels verdwenen).

EVA
Gij zijt wel vriendlijk.

ADAM
Stil, beschaam mij niet!
Ik zal met diamanten en met paarlen
Uw blanken hals bedekken, niet om dien
Nog te versieren, maar omdat haar prach
Geen plaats kon vinden, waar ze schooner uitkwam.

EVA
Daar ginds zag ’k veel sieradiën te koop,
Maar die zijn wis niet voor ons arme meisjes.

ADAM
Nu laat ons ze eens gaan zien!

LUCIFER
Dat is onnoodig,
Toevallig heb ik hier de fraaiste bij mij.
(Hij toont haar sieraden, die Eva met groote vreugde, beziet en aanpast).

EVA
Hoe schoon, wat zal men mij daarom benijden!

ADAM
Maar hier dit hart - ik wil ’t niet langer zien.

EVA
Ik werp het weg, wanneer ge er tegen zijt.
(Zij werpt het weg).

LUCIFER
Braaf zoo, en ik vertrap het.
(Hij trapt er op).

EVA
Wat is dat? ’k hoorde een gil; of is ’t verbeelding?
(Intusschen wordt een veroordeelde op zijn kar over het tooneel gevoerdf een hoop volk dringt hem acizterna.)

EEN UIT DE MENIGTE
Kom, haast gemaakt!

EEN TWEEDE
’k Dacht, hij verloor den moed.
Thans houdt hij zich groot.

VERSCHILLENDEN
Op, dus, op, hem na!

ADAM
Wat leven, welk een ongehoord gedrang?

EVA
Ze hangen iemand op. Laat ons gaan zien,
Dat schouwspel is zoo griezelig, en geeft
Gelegenheid om in mijn tooi te pronken.

ADAM
Wat schuld beging die arme?

EVA
’k Weet het niet.

LUCIFER
’t Is ook om ’t even, maar ’k vertel ’t u gauw:
Hij werkte lang in Lovels loodfabriek,
Maar lood is gif, en daar hij ’t aldoor inzoog,
Moest hij geruimen tijd in ’t hospitaal,
Zijn aardig vrouwtje werd door nood gedrongen,
De zoon van Lovel was jong en goedhartig,
Men vond elkaar, en alles werd vergeten.

EERSTE ARBEIDER (tot den veroordeelde)
Moed, kameraad, gij sterft als martelaar;
Uw naam zal onder ons een eernaam blijven.

LUCIFER
De man genas, en vond zijn vrouwtje niet,
Bezet ook was zijn plaats, hij smeekte vruchtloos
Om werk. Hem kookt het bloed, hij waagt te dreigen,
En Lovels zoon geeft antwoord met een slag.
Een mes valt den onzaligen in handen -
Dit ’s ’t eind; - en de oude Lovel werd krankzinnig.
(Bij de laatste woorden komt Lovel als waanzinnige)

LOVEL
Gij liegt, gij liegt, ik ben niet gek, of hoor
Ik niet wat mij de wond mijns zoons toefluistert?
Neem, neem mijn ongetelde … alle,
En maak dat ik ’t niet hoor. Ware ik waanzinnig!

DERDE ARBEIDER
(tot den veroordeelde)
Vrees niet, vrees niet, eenmaal wordt gij gewroken.

EERSTE ARBEIDER
U treft geen smaad, den booswicht tref de schuld.
(De veroordeelde met zijn gevolg af).

ADAM
O wreed gezicht, waarom tot mij gekomen?
Wie zegt, aan wien de grootste schuld hier is,
Misschien wel enkel aan de maatschappij;
Waar deze rot is - tiert de zonde welig.

LOVEL
De maatschappij, waar, waar! Neem al mijn schatten
Zoo ’k maar de taal dier wond niet meer moet hooren.
(Af)

EVA
Kom mee, kom, anders krijgen wij geen plaats.

ADAM
Ik zegen ’t lot, dat mij niet riep tot rechter.
’t Valt licht, op weeke kussens wetten schrijven, -
Licht oordeelt, woe slechts de opprvlakte ziet,
Maar ach, hoe zwaar is ’t hem, die ’t harte naspeurt,
En al zijn roerslen juist waardeeren wil.

LUCIFER
Op die manier kwam geen proces ten einde.
Geen mensch begaat het slechte, wijl het slecht is,
De duivel ook bezit zijn recht, zijn titels,
En eigen titels houdt elk voor de beste.
De rechtsgeleerde hakt den knoop, welks draden
Geen duizend philanthropen ooit ontwarren,
Ten slotte door.
(Zij hebben inmiddels den Tower bereikt, een heiligenbeeld staat daar in een nis).

EVA
Slechts even, mijn geliefde,
Laat ons hier toeven, opdat ik mijn ruiker
Kan nederleggen voor dit heilig beeld.

LUCIFER (fluisterend)
Sta ’t haar niet toe, ’t is anders uit met ons.

ADAM
Onschuldig kind, - ik wil het niet beletten.

EVA
Ik pleegde reeds als kind, waar ik ’t voorbij ging,
Te knielen voor dit beeld, ’t is me ook nu zoet.
Niet lang vertoef ’k, licht halen wij dat in,
Wat wij verzuimen.
(Zij legt den ruiker naast het beeld, maar deze verwelkt dadelijk, en de sieraden aan haar hals en armen rollen, in hagedissen veranderend, op den grond).
Wee, mijn God, wat ’s dat?

LUCIFER (tot Adam)
’k Heb u voor niet gewaarschuwd.

EVA
Hulp! Te Hulp!

ADAM
Bedaar geliefde, ’t volk zal op ons letten -
Oneindig rijker tooi siert dra uw hals.

EVA
Weg van mij, weg!
(roepend).
Hulp, hulp, barmhartigheid!
Een oude booze heks en twee bedriegers
Misleidden zoo een onbesproken meisje.
(Het volk begint saam te scholen, de waarzegster komt met de politie).

WAARZEGSTER
Zij moeten hier zijn, die mij met valsch geld
Betaalden; ’t srnolt mij in de hand.

LUCIFER
Misschien
Ligt aan de hand meer dan aan ’t geld de fout.
Adam, vanhier, ’t is hier niet goed vertoeven.
(Zij verdwijnen in den Tower, en terwijl beneden de menigte en de verwarring aangroeien, verschijnen
zij weer boven op het bastion).

ADAM
Opnieuw bedroog ik mij, toen ik geloofde,
Dat het genoeg was al de spookgestalten
Van ’t grijs verleden uit den weg te ruimen,
En vrijen wedstrijd voor de vrije krachten
Te ontsluiten. ’k Rukte uit ’t groote raderwerk
Een hoofdschroef weg, die alles samenhield,
De piëteit, en ik verzuimde een andre,
Nog sterkere in de plaats er van te brengen.
Wat wedstrijd kan dit zijn, waar de eene vijand
Het zwaard voert, de andre zonder wapen is;
Wat onafhanklijkheid, waar honderd hongren,
Zoo zij niet buigen voor het juk van éenen!
Het is de strijd van honden om een been.
Een maatschappij wensch ik in plaats er van,
Die steunt, niet straft, die opwekt, niet verschrikt,
Die met vereende krachten samenwerkt,
Een maatschappij, zooals de wetenschap
Die uitdenkt, en wier orde ’t kalm verstand
Bewaakt en handhaaft. Eenmaal zal zij komen,
Dit zegt mij mijn gevoel,… O Lucifer,
Voer, voer mij ras die nieuwe wereld binnen!

LUCIFER
Gij ijdle mensch, wijl uw beperkte blik
Slechts een verwarde massa daar omlaag ziet,
Gelooft gij reeds, daar is geen samenleving,
Daar heerscht geen stelsel in des levens werkplaats.
Zie dus een oogenblik met geestesoogen,
En zie het werk, dat zij in ’t wezen roept,
Niet voor hun nietig ik, voor ons slechts onzichtbaar.
(Het is donker geworden. De geheete markt. vormt zich tot groepen, die in’t midden van het tooneel een gapende groeve graven, zij dansen er om heen, en sprtngen dan na elkander er in, deels zwijgend, deels nadat ze elk gesproken hadden).

KOOR
Er maar op los, gerept de spade,
Vandaag voltooid, waar ’t morgen voor te laat is.
Maar of we al duizend eeuwen werken,
Nooit zal nog ’t groote werk gedaan zijn.
Of wieg of zerk, ’t is alles éender.
Wat heden eindt begint weer morgen,
Verzadiging en honger wisslen,
Wat heden daalt verheft zich morgen.
(Klokkengelui).
Hoort de avondklokken luiden; komt ter ruste,
Wie zij tot nieuw bestaan weer morgen roepen,
Die moeten ’t groote werk opnieuw beginnen.

MARIONETTENSPELER
De klucht is uit, gedaan mijn taak,
’k Gaf andren, niet mij zelf, vermaak.

WAARD
Geleegd heeft ieder flesch en glas;
Mijn goede gasten, slaapt nu ras!

HET KLEINE MEISJE
Al mijn viooltjes zijn verkocht.
Dra worden ze op mijn graf gezocht!

WAARZEGSTER
Elk wilde zien der toekomst kans;
Verschrikt sluit ieder de oogen thans.

LOVEL
Geen schat, die rust of vreugd mij bracht,
Voor niet de ruste hier mij wacht.

ARBEIDER
De week is om, de rustklok luidt,
’k Slaap na mijn zware werk hier uit.

SCHOLIER
’k Heb schoon gedroomd - maar werd gestoord,
Gij schoone droom, thans zet ’k u voort.

SOLDAAT
Voorwaar, ik hield mij toch wel goed;
Dat ’k in zoo’n slechte groeve moet!

LICHTEKOOI
De roes vervloog, de verf ging af.
’t Word koud hier: hoe zal ’t zijn in ’t graf?

DE VEROORDEELDE
Blijft, keetnen, rusten hier bij ’t lage stof;
Een andre wet geldt wis in ’s hemels stof.

DE MARKTSCHREEUWER
Dat we alles wisten, logen wij ons voor;
Thans dringt tot onzen schrik de waarheid door.

EVA
Wat gaapt gij, diepe groeve, aan mijne voeten?
Geloof niet, dat uw duister mij terugschrikt,
Het aardsche stof slechts zinkt in u terneer,
Ik echter stijg in glorie naar omhoog.
De schutsgeest van jeugd, liefde en poëzie
Wijst mij den weg naar ’t eeuwig vaderland.
Mijn glimlach slechts brengt rein genot op aarde,
Als zonnestraal een ieders trekken kussend.
(Haar sluier en mantel in het graf latende zinken, stijgt zij in een glorie naar omhoog).

LUCIFER
Herkent gij, Adam, haar?

ADAM
Ach Eva, Eva!


VisszaKezdõlapElõre