TWAALFDE TOONEEL

(Hoj van een groot, in den vorm van een U gebouwd Phalanster De twee vleugels vormen open, door zuilen gedragen hallen. In de hal rechts zijn arbeiders bezig aan de in beweging zijnde machines. Aan de linkerzijde bevirtdt zich een museum met de meest onderscheiden natuurkundige voorwerpen, physische werktuigen, astronomische en chemische instrumenten en andere specieële gereedschappen, waaurtusschen een geleerde werkt. Al de menschen behooren tot hei Phalanster, allen zijre eender gekleed. - Adam en Lucifer stijgen in het midden van den hof uit den grond. Het is dag).

ADAM
Welk rijk, welk volk is dit, waarheen wij kwamen?

LUCIFER
Die ouderwetsche woorden hebben uit.
was ook ’t begrip van vaderland niet nietig?
’t Vooroordeel schonk daaraan weleer het leven,
Bekrompenheid e twistzucht hielden ’t aan.
Thans is heel de aard den mensch tot vaderland,
En iedereen bezit zijn deel er van.
Zoo stroomt in kalmen vloed de wereldsche orde
En boven haar troont hoog de wetenschap.

ADAM
Dus al wat ik gewenscht heb werd vervuld,
Bereikt is ’t ideaal van mijn ziele.
En toch ik mis ’t begrip van vaderland;
Dit had, naar ’k meen, ook in de nieuwere orde
Van zaken kunnen voortbestaan. De mensch
Verlangt beperking, ’t eindelooze vreest hij,
Zijn kracht verliest zich waar ze zich verdeelt,
Hij hecht zich aan ’t verleen en aan de toekomst;
Ik vrees, geen hart klopt voor deez groote wereld
Zoo vurig ooit als voor der oudren graf.
Wie voor de zijnen eens zijn bloed vergoot,
Heeft voor zijn vriend nu hoogstens meer een traan.

LUCIFER
Ik zie, gij zelf verwerpt uw idealen,
Nog eer zij u belichaamd tegentraden.

ADAM
Geloof dat niet; ik ben alleen nieuwsgierig,
Wat die gedachtë wezen mag die alles
Tot éen geheel versmolt, - wat die bezieling,
Die ’t eeuwig heilig vuur in ’t menschenhart,
Dat honderd kleinigheen tot nog toe voedden
En dat toch slechts tot ijdlen strijd gevoerd heeft,
Mu eindlijk tot een beter doel zal leiden?
Maar spreek, waar zijn wij toch? wat plaats is dit?
O leid me er heen, dat mijne ziele zwelge
In ’t rein geluk, dat na zoo langen strijd
De mensch wel heeft verdiend als loon te vinden.

LUCIFER
Dit ’s een Phalanster, zooals er nu veel zijn,
Het thuis der menschen van de nieuwe richting.

ADAM
Laat ons dan gaan!

LUCIFER
Zoo haastig niet gebakerd!
Eerst dient deze oude kleeding afgeworpen;
Wanneer we als Lucifer en Adam komen,
Gelooft deez wijde wereld niet in ons,
Men doet ons eer te niet, of sluit ons op
In ’t distilleervat.

ADAM
Wat is dat nu weer
Voor zinnelooze taal?

LUCIFER
Het gaat nu eens
Niet anders in deez geestelijke wereld.

ADAM
Doe dan wat gij verlangt, maar doe het snel.
(Lucifer maakt beiden gelijk aan de bewoners van ’t Phalanster).

LUCIFER
Zie, deze dracht beschermt ons. Berg uw Lokken!
Wij zijn gereed.

ADAM
Laat met dien wijze ons spreken.

LUCIFER (op den geleerde toetredend)
Wees ons gegroet, o wijsgeer!

GELEERDE
Stoort mij niet
In ’t groote werk, ik heb geen tijd tot zwetsen.

LUCIFER
Dat smart ons beiden. Wij zijn volgelingen
Van ’t duizendste Phalanster, die hierheen
Uw groote roem van verre heeft getrokken.

GELEERDE
Zeer prijzenswaardig noem ik zulk een ijver.
En waarlijk, ’k kan thans ’t werk wel even staken.
Zoo maar de gloed hier in den distilleerkolf
Niet afneme en de stof mijn wil gehoorzaam.

LUCIFER
(ter zijde)
Ik heb mij niet bedrogen; ook in u,
Die en natuur en de mensch beproeft te loutren,
Blijft toch, als laatst bezinksel, de ijdelheid
Nog over.

GELEERDE
Ons gesprek begonnen dan!
Wat is wel ’t vak waartoe ge u het liefst bepaalt?

ADAM
Niet tot éen vak beperkt zich onze weetlust.
Den aanblik van ’t geheel begeeren wij.

GELEERDE
Dat is onjuist. In ’t kleine bergt zich ’t groote,
Er zijn veel dingen, en ’t bestaan is kort.

ADAM
Ik weet wel, dat ook zulken moeten zijn,
Die steenen kloppen, en die zand aandragen;
Niet zonder hen kan zich ’t gebouw verheffen,
Maar toch, zij tasten slechts in ’t duister rond
En vatten zelf niet eens waartoe zij helpen.
Alleen de bouwheer ziet het groot geheel.
En schoon hij iedren steen niet weet te kloppen,
Heeft hij toch ’t werk geschapen als een God.
Zulk een groot gebouw is ook de wetenschap.

LUCIFER
En daarom komen, groote man, wij tot u.

GELEERDE
Heel wijs gehandeld, en ik stel ’t op prijs.
Wat zijn der wetenschap ontelbre takken,
Dan wat de trekken zijn in éen gelaat?
Betoovrend werken zij alleen vereend.

LUCIFER
Verschillend en toch éen, als schoone vrouwen.

GELEERDE
Maar trots dit alles is slechts de chemie -

LUCIFER
Het middelpunt, waarin het leven woont.

GELEERDE
Gij hebt het wit geraakt.

LUCIFER
Ditzelfde zeide
Me een mathematicus van zijn mathesis.

GELEERDE
Vol ijdelheid ziet iede in zich zelf,
In zij n gezichtskring, ’t middelpunt der dingen.

LUCIFER
Gij deedt dus goed, dat gij juist in chemie
Uw lievelingsvak zocht.

GELEERDE
’k Ben er overtuigd van.
Maar laat ons dit museum thans beschouwen,
Daar is geen tweede zoo op heel deze aarde;
Al de uitgestorven dieren van ’t voorheen
Staan hier in uitgelezen exemplaren
Voortrefflijk opgezet, Toen onze vaadren
Barbaren waren, huisden duizendvoudig
Zij in hun midden, en ze deelden samen
De wereldheerschappij. Veel wonderbaars
Is over hen verspreid, men zegt bij voorbeeld
Dat dit moest dienen als locomotief.

ADAM
Dit is het paard, maar ’t soort is zeer verbasterd;
Een ander dier voorwaar was Al-borak.

GELEERDE
Van dit beweert men, dat de mensch ’t als vriend
Beschouwde, vaak er nut noch werk van trekkend,
En dat, oplettend naar hem heengekeerd,
Het zijn gedachten zelfs begrijpen kon;
Wat meer nog is, men zegt, ’t heeft ook diens schuld,
’t Begrip van eigendom, met hem gedeeld,
En dit beschermend, gaf ’t zijn leven prijs.
’k Verhaal u slechts wat er geschreven staat;
Denk niet, dat ik dit zelf geheel geloof.
’t Verleden had veel phantasie en onzin.

ADAM
Dit is de hond. Al wat gij daarvan zegt
Berust op waarheid.

LUCIFER
Wees voorzichtig, Adam,
Gij zult u anders waarlijk nog verraden…

GELEERDE
Dit was de slaaf der armen.

ADAM (bitter)
Zooals de arme
De ploegos weder van den rijke was.

GELEERDE
Dit is de koning der woestijn.

ADAM
De leeuw. -
Hier zie ’k den tijger, hier het vlugge hert;
Wat voor gedierte leeft dan nog op aarde?

GELEERDE
Is dat een vraag! is ’t dan bij u soms anders?
Er leeft wat nuttig is, en wat tot nog toe
De wetenschap niet te vervangen wist:
Het zwijn en ’t schaap, maar deze zijn niet meer zoo
Gebrekkig als de knoeiende natuur
Ze schiep, het zwijn is slechts éen levend vet,
Het schaap, éen wolhoop, die ons warmte leent,
En zoo ’t bereiken van ons doel bevordert.
Maar ’k merk, dit alles is u reeds bekend,
Laat ons dus ’t andre zien. Dit ’s de verzaamling
Van onze mineraliën. Ziet hier,
Welk een enorm stuk kool: geheele bergen
Van deze stof zijn er geweest, de menschen
Van vroeger hadden dat zoo maar voor ’t grijpen,
Wat nu de wetenschap met groote moeite
Der lucht onttrekt. Dit erts hier, ijzer was ’t,
En zoolang daaraan geen gebrek nog was,
Had men geen alumien nog op te sporen.
En hier dit stukje is goud, iets zeer merkwaardigs,
En iets zeer nutteloos. Want toen de mensch,
In ’t tijdvak van het blinde bijgeloof,
Voor hoogre wezens nog aanbiddend knielde,
Ze boven ’t lot zelfs oppermachtig plaatsend,
Hield hij voor iets zoo godlijks ook het goud,
Welzijn en recht met al wat heilig was
Op ’t altaar daarvan offrend, om toch maar
Een enkel tooverstukje te vermeestren,
Waarvoor in ruil, het zal u wel verwondren,
Hij alles kon krijgen, zelfs zijn brood.

ADAM
Wijs mij iets anders, ook dit ken ik reeds.

GELEERDE
Voorwaar, gij zijt een groot geleerde, vreemdeling.
Laat ons dan ’t vroeger plantenrijk beschouwen:
Zie hier de laatste roos, op aard ontloken.
Deez nuttelooze bloem, ze had weleer
Met honderdduizend haar gelijke zustren,
Den voorrang boven ’t graan, de voedzame aar;
Van groote kindren was zij ’t lievelingsspeelgoed.
Een eigenaardig teeken is ’t voorwaar,
Dat toen men vroeger naar zulk speelgoed greep,
De menschengeest ook zulke bloemen voortbracht
Als daar zijn droomen van geloof en dichtkunst,
En wiegend zich in d’ armen van zulke droomen,
Verkwistte hij zijn beste kracht, zoodat
Het ware doel des levens werd verwaarloosd.
Als groote zeldzaamheid bewaart men hier nog
Twee zulke werken. ’t Eerste is een gedicht,
Zijn schrijver werd, toen zondige eigenwaan
Nog haken dorst naar eigen roem, Homerus
Geheeten. Zeer phantastisch is de wereld,
Die hij genoemd heeft men den naam van Hades.
Lang hebben we elken regel reeds weerlegd.
Dit werk van Tacitus: Agricola,
Toont hoe belachlijk en toch deerniswaardig
Het denken in ’t barbarentijdvak was.

ADAM
Dus, enkle bladen bleven toch nog over
Uit grooter dagen, als hun testament;
En konden zelfs zij dit verbasterd ras
In vlam niet zetten, niet tot daden prikklen,
Die deze wereld in elkaar doen storten?

GELEERDE
Met juistheid opgemerkt. Wij zagen in
Hoe hoogst gevaarlijk ’t gif is, dat zij bergen,
Daarom staat ook het lezen niemand vrij,
Vóor hij de zestig jaren heeft bereikt,
En aan den dienst der wetenschap zich wijdde.

ADAM
Maar doen dan niet der minnen tooversprookjes
In ’t teer gemoed des kinds een flauw besef
Er van ontwaken?

GELEERDE
Juist, en daarom laten
Wij onze minnen met de kindren reeds
Van evenredigheid en meetkunst spreken.

ADAM (ter zijde)
O moorders, schuwt gij niet, het jonge hart
Van zijn meest schoone dagen te berooven?

GELEERDE
Gaan wij nu verder! - Ziet hier dit gereedschap,
Deez kunstgewrochten, wonderlijk gevormd.
Dit ’s een kanon, met ’t raadselachtig opschrift:
„Ultima ratio regum”. Doch waartoe
Het heeft gediend, wie weet dat? Ziet, dit zwaard
Deed eens uitsluitend dienst tot menschenmoord,
En wie er mee gedood had - was niet schuldig. -
Deez schilderij werd met de vrije hand
Vervaardigd, en nam gansch een menschenleven
Soms in beslag, terwijl haar onderwerp
Toch niets dan de allerdwaaste fabel was.
Nu doet de zon dit werk in onze plaats,
En waar men toen bedrieglijk op ging sieren,
Dient deze met onkrenkbare trouw ons doel.

ADAM (ter zijde)
Maar ach, de kunst, de geest, die bleven weg…

GELEERDE
Hoe kinderachtig zijn die honderde
Versierde dingen. Hier is een bokaal
Met ingeëtste bloemen, daar een stoel
Welks leuning met phantastische arabesken
Gesmukt is; al die moeite hebben zich
Eens menschenhanden nutteloos gegeven.
En werd het water frisscher in zoo’n glas?
Is deze stoel gemaklijker tot zitten?
Thans doen machines al dit werk voor ons,
In meest doelmatige en meest simple vormen,
En dat het al volmaakt is wordt gewaarborgd,
Doordien de werkman, die thans schroeven draait,
Ook gansch zijn leven enkel daarbij blijft.

ADAM
Dus is er eigenaardigheid noch leven,
Geen werk meer, dat zijn meester overtreft?
Waar is nog ruimte voor gedachte en kracht,
Om er haar hemelsche afkomst in te toonen?
Zoo zij, naar strijd verlangend, in deez wereld
Van orde en vaste regels om zich heen zien;
Wenkt haar niet eens de prikkel van ’t gevaar;
Zelfs geen bloeddorstig roofdier tart den mensch. -
Bedrogen ook heeft mij de wetenschap,
Een saaie kinderschool is zij geworden, -
En zaligheid had ik er van gewacht!

GELEERDE
Hoe, voerden wij niet broederlijkheid in?
Waar lijdt de mensch nog stoffelijk gebrek?
Voorwaar, wie zoo iets denken durft verdient
Bestraffing.

ADAM
Spreek, wat is dan wel ’t begrip,
Waarvan geheel een derglijk volk vervuld is?
Wat kan ’t als gemeenschapplijk doel bezielen:

GELEERDE
Dit denkbeeld is bij ons de levensrekking.
Toen eens de mensch hier op deze aard verscheen,
Was een goed ingerichte voorraadschuur:
Zijn hand behoefde hij slechts uit te strekken,
Om wat hij noodig had daarin te vatten.
Gedachtloos werd er dus maar doorverteerd,
Als maden met de kaas doen, en men had
Den tijd om, in een zoeten roes verzonken,
Genot en poëzie en heil te zoeken
In ijdle, romaneske hypothesen.
Wij daarentegen moeten spaarzaam zijn,
Bij de allerlaatste bete staande, en inziend
Dat, is de kaas verteerd, de honger ’t veld wint.
De zon zal na vierduizend jaar verkoeld zijn,
Geen planten groeien er dan meer op de aarde;
Wij hebben dus vierduizend jaar aan ons.
Om voor de zon wat anders uit te vinden.
Voor onze wetenschap is deze tijd,
Naar ’k meen, ook lang genoeg. Het water leent
Zich ’t best tot warmte, deez geöxideerde
Het meeste vuur bevattende substantie.
Ook de geheimen van het organisme
Zijn der ontsluiering alree nabij.
’t Is goed ook dat daar ons gesprek op komt;
Daar had ik bijna mijn retort vergeten,
Ook ik werk immers mee voor ’t zelfde doel.

LUCIFER
De mensch is wel verouderd, als hij reeds
Retorten zoekt, om ’t menschdom voort te planten.
Maar ook wanneer het werk gelukken mocht,
Wat monster zal dit zijn! het zal gelijken
Op een gedachte die geen woorden heeft,
Op een gevoel der liefde zonder voorwerp,
Dit wezen, der natuur geheel ontvreemd,
Dat geen verwanten heeft noch antipoden.
En hoe zal ’t ooit karakter, eigen aard
Verkrijgen, waar ’t van uiterlijke werking
En lijden afgesloten tot bewustzijn
Moet komen in een enge glazen buis?

GELEERDE
Zie, zie maar hoe het kookt, zie, hoe het straalt,
Nu hier, dan daar bewegen zich reeds vormen;
Deez warmte in ’t zuiver afgesloten glas,
De chemische verwantschap en doordringing,
Zij stemmen alle saam en dwingen zoo
De stof om aan mijn wenschen te voldoen.

LUCIFER
Ik sta verbaasd, geleerde; ’k vat slechts niet,
Hoe gij zoudt maken, dat zich dat niet aantrekt,
Wat thans verwant is, en de tegenstelling
Zich niet afstoot.

GELEERDE
Wat dwaze brabbeltaal!
Is dit dan de eeuwge wet niet der materie?

LUCIFER
’k Begrijp u; maar waarop berust die wet?

GELEERDE
Gij vraagt waarop zij rust? omdat de ervaring
Ons haar bestaan vertoont, is ’t ons een wet.

LUCIFER
Gij zijt dus slechts de stoker der natuur,
De rest voltooit zij enkel in zich zelf,

GELEERDE
Maar met dit glas bepaal ik toch haar kring,
En uit haar duister breng ik haar aan ’t licht.

LUCIFER
Tot nog toe zie ik nog geen levensteeken.

GELEERDE
Dat blijft niet uit. Ik, die zoo afgeloerd heb
De diepste raadslen van ’t organisme,
Die honderdmaal al ’t leven heb ontleed… -

ADAM
Gij hebt daarmee alleen het lijk begrepen.
De wetenschap drukt slechts gebrekkig ’t voetspoor
Der pas voorhanden jeugdige ondervinding;
Als een gehuurde lofpoëet des konings,
Zoo mag zij groote daden commenteeren,
Maar die voorspellen is haar roeping niet.

GELEERDE
Wat hoont en spot gij toch? Ziet gij dan niet,
Nog maar éen vonk ontbreekt, en ’t leven komt?

ADAM
Maar juist die vonk, vanwaar wilt gij die nemen?

GELEERDE
Nog maar éen stap is ’t, die blijft af te leggen.

ADAM
Doch juist deze éene stap, wie dien niet deed,
Die heeft nog niets gedaaan, en weet ook niets.
Al de andre stappen waren slechts daar buiten
In ’t voorportaal gezet, deze éene juist
Zou voeren naar het allerheiligste. -
Komt ooit het uur dat éen stap dien verricht?
(Inmiddels beginnen zich de rookwolken achter de retort te verdikken, en het dondert).

STEM VAN DEN AARDGEEST (uit den rook)
Nooit komt dat uur. Ik heb geen ruimte hier,
Ik ben te groot. Gij, Adam, kent mij wis,
Al gist de rest zelfs mijn nabijheid niet.

ADAM
Verneemt gij niet die woorden van den geest?
O zie, gij opgeblazen, zwakke mensch,
Hoe zoudt gij hem bedwingen die daar zweeft?

GELEERDE
Een vlaag van zinneloosheid! -
’k Maak mij zeer
Bezorgd over u.
(De retort spat uiteen, de geest verdwijnt).
De kolf spatte uit elkaar, -
Ik moet het groote werk opnieuw beginnen.
Juist waar het schier bereikte doel mij wenkte,
Komt er een nietig stofje, ’t blinde toeval,
En alles ligt in duigen.

LUCIFER
Eenmaal noemde
Men dit het fatum; ’t klonk niet zoo beschamend,
Zich door zijn ijzren hand te zien gebroken,
Dan zooals thans voor ’t ijdle, blinde toeval
Te moeten buigen.
(Er wordt geluid).
Wat voor teeken is dit?

GELEERDE
De werktijd is ten eind, het schaftuur nadert,
Hier komen zij van velden en fabrieken,
Thans krijgt een tuchtiging wie onrecht deed,
De vrouwen, kindren worden thans verdeeld,
Laat ons erheen gaan, ’k heb daar ook te doen.
(In lange rijen komen de mannen, in een andere de vrouwen, eenige met kinderen, onder welke ook Eva. Een grijsaard treédt uit hun midden naar voren. Adam, Lucifer en de geleerde staan op den voorgrond, naast het museum).

GRIJSAARD
Waar’s nommer dertig?

LUTHER (uit de rij tredend)
Hier ben ik.

GRIJSAARD
Alweer
Hebt gij den ketel veel te fel gestookt.
Het heeft den schijn alsof uw wilde hartstocht
Geheel ’t Phalanster in gevaar wil brengen.

LUTHER
En wie kan de verzoeking weerstand bieden,
Als vonkenspattend ’t ziedende element
Met duizend vuurge tongen om ons heen sist,
Belust ons aan te vatten, te vernielen,
Om ’t dapper dan te staan, ’t nog op te stoken,
Wel wetend, dat het toch in onze macht staat?
Gij kent niet de bekoring van het vuur,
Zoo gij ’t slechts in den kookhaard flikkren zaagt.

GRIJSAARD
Wat ijdle praat! gij krijgt geen middageten.

LUTHER (terugtredend)
Maar morgen blaas ik toch het vuur weer aan.

ADAM
Wat zie ik? deze man is mij bekend,
Dat was eens Luther.

GRIJSAARD
Nu tweehonderd tachtig!

CASSIUS (vooruittredend)
Hier!

GRIJSAARD
Driemaal heb ik u reeds aangespoord,
Geen redelooze kloppartij te zoeken.

CASSIUS (terugtredend)
En waarom reedloos i’ wijl ’k mij niet beklaagde?
Verwijfd, lafhartig, is wie andrer hulp
Verlangt, terwijl zijn eigen armen gaaf zijn.
Of was mijn tegenstander misschien zwakker,
Waarom ontvluchtte hij dan niet den strijd?

GRIJSAARD
Geen tegenspraak! De vorming van uw schedel,
Die edel, ja die zonder fouten is,
Pleit geen verschooning voor uw kwade lusten.
Maar brandend en onstuimig stroomt uw bloed,
Wij zullen u genezen, tot gij tam wordt.

ADAM
Ach Cassius, wee u, zoo ge mij herkent,
Die bij Philippi met u streed. Tot zoover
Dus heeft de valsch gegrepen orde, heeft
De dwaling van de theorie ’t doen komen,
Dat men zoo eedle kracht boeit, niet erkent.

GRIJSAARD
Nummer vierhonderd!

PLATO (vooruittredend)
’k Luister.

GRIJSAARD
Weder waart gij
Zoo gansch verdiept in uwe droomerijen,
Dat de u vertrouwde kudde schade leed.
Op erwten kniel tot straf, dan blijft gij wakker.

PLATO (terugtredend)
Ook daarop knielend droom ik schoone dingen.

ADAM
O Plato, welk een rol wordt u beschoren
In d’ eigen staat, dien uw verbeelding schiep!

GRIJSAARD
Nu nommer twee en zestig!

MICHEL-ANGELO (vooruittredend)
Zie mij hier.

GRIJSAARD
Ge ontvloodt de werkplaats zonder ons verlof.

MICHEL-ANGELO
Ja, wijl ’k hier enkel stoelen had te maken,
En die nog wel van ’t ordinairst fatsoen.
Lang smeekte ik om meer vrijheid in mijn werk,
Mij toe te staan dat ik ze wat versierde;
Het werd niet toegestaan. De leuning dan
Verlangde ik te verandren, alles vruchtloos.
Reeds voelde ik, hoe de waanzin mij bedreigde,
En zoo ontvluchtte ik aan de pijn - de werkplaats.
(Hij treedt terug).

GRIJSAARD
Tot straf moet gij nu naar uw kamer gaan,
En moogt den schoonen avond niet genieten.

ADAM
O Michel-Angelo, wat hel moet ’t wezen,
Als God zich voelend, niet te mogen scheppen.
O veel bekenden zie ’k hier overal,
Oorspronklijk éen van geest en natuur.
Die streed met mij, - die stierf den marteldood,
Dien scheen geheel deze aardbol nog te nauw,
En tot wat dwergen, wat eenvormigheid
Verminkte hen deez staat!
(tot Lucifer)
Laat ons vanhier gaan!
Dit schouwspel kan mijn ziel niet meer verdragen.

GRIJSAARD
Twee kinders hebben ’t tijdstip nu bereikt,
Dat hun geen moederzorg noodig is,
Thans wacht hen ’t algemeen opvoedingshuis.
Hierheen, hierheen!
(Eva en nog een andere vrouw treden met haar kinderen naar voren).

ADAM
Wat stralende gestalte!
Dus ook deez nuchtre wereld is niet zonder
Haar poëzie!

LUCIFER
Nu Adam, gaan wij niet?

ADAM
Wij blijven nergens anders dan juist hier.

GRIJSAARD
Geleerde, wil den schedel onderzoeken
Van deze kindren.
(De geleerde beschouwt de kinderen).

EVA
O wat zal mij wachten!

ADAM
Ha welk een stem! wat klank!

LUCIFER
Hoe taalt gij nog
Naar deez gewone vrouw, die gij weleer
De kussen van Semiramis mocht smaken?

ADAM
Nooit heb ik deze nog gekend.

LUCIFER
Ah zoo!
Dat is het oude liedje der verliefden:
Een ieder meent, dat hij het eerst den hartstocht
Heeft uitgevonden, dat vóor hem nog iemand
Wist te beminnen, en dat gaat zoo reeds
Onafgebroken duizenden van jaren.

GELEERDE
Dit kind is best tot doctor op te voeden,
En dat zal herder zijn.

GRIJSAARD
Zoo zij ’t beslisf!
(Men wil de kinderen wegbrengen, Eva biedt weer-Stand).

EVA
Raakt het niet aan! dit kind behoort mij toe;
Wie waagt het van de moederborst te rukken?

GRIJSAARD
Brengt nu ’t van hier; waartoe nog dit gedraal?

EVA
O gij, mijn kind, met eigen hartebloed
Voedde ik u op. Waar is de wreede macht,
Die dezen heilgen band verscheuren mag?
Moet ik voor eeuwig afstand van u doen?
Toelaten, dat gij in de bonte menigt
Verloren gaat, waar u dan vruchteloos,
Temidden van de breede schaar der vreemden,
Mijn angstig vorschende oogen zullen zoeken.

ADAM
O menschen, zoo u iets nog heilig is,
Laat dan de moeder in ’t bezit van ’t kind.

EVA
Nietwaar, nietwaar? o vreemdling, wees gezegend.

GRIJSAARD
Vreemdling, gij speelt een zeer vermetel spel!
Wanneer wij ’t blind veroordeel der familie
Opnieuw in ’t leven roepen, valt ook daadlijk
Het gansch gebouw der heilge wetenschap.

EVA
Wat geef ik om die koude wetenschap!
Het moge vallen, daar waar de natuur spreekt.

GRIJSAARD
Kom haast gemaakt!

ADAM
Waagt niet haar aan te raken.
Ginds is een zwaard; ik zal u dan wel leeren,
Hoe dat gebruikt moet worden.

LUCIFER
Droombeeld, stil!
(Hij legt zijn hand op Adams schouder, deze verstijft).
Voel mijner hand onwederstaanbre macht.

EVA
Mijn kind!
(Zij stort ineen, het kind wordt weggedragen).

GRIJSAARD
Deez beide vrouwen zijn ongepaard,
Dus melde zich, wie aanspraak wenscht te maken.

ADAM (op Eva mijzend)
Op deze maak ik aanspraak.

GRIJSAARD
Wijsgeer, oordeel!

GELEERDE
Een dwepend man en een nerveuze vrouw
Teelt een verbasterd ras, het paar deugt niet.

ADAM
En toch sta ik er op, zoo ze mij aanneemt.

EVA
Ja, edelmoedig man; ’k wil de uwe zijn.

ADAM
O vrouw, ’k min u met al den gloed mijns harten.

EVA
En ook ik voel, dat ’k eeuwig u zal minnen.

GELEERDE
Dit ’s waanzin. Waarlijk, ’t is wel eigenaardig:
In onzen zoo verlichten tijd dit spooksel
Van vroeger dagen, uit zijn graf verrezen,
Weer te zien omgaan. Wat dit wel kan zijn?

ADAM
Een late straal uit Edens zalige oorden.

GRIJSAARD
Beklagenswaardigen!

ADAM
Beklaagt ons niet.
Gunt ons dien waanzin; wij benijden u
Niet om uw nuchterheid. Gelooft mij, alles
Wat er op aarde ooit groots en edels was,
Ontsproot aan zulk een waanzin, waaraan nog
De nuchtre zorg geen perken had gezet.
Het is der geesten stem uit hooger sferen,
Die als muziek door onze harten ruischt.
Zij zegt, dat onze zielen hun verwant zijn,
Dat wij der aarde nietig stof verachten,
Den weg naar deze hoogre sferen zoekend.
(Hij houdt Eva omarmd).

GRIJSAARD
Waartoe nog luistren? naar het dolhuis met hen!

LUCIFER
Hier is voorwaar de snelste hulp van noode.
Kom Adam, kom, wij reizen nu weer verder!
(Zij verzinkert).


VisszaKezdõlapElõre